Opgraven

Hoewel het wenselijk is om behoudenswaardige archeologische vindplaatsen duurzaam in de (water)bodem te behouden, is het niet altijd mogelijk. Wanneer dit niet mogelijk is, worden de archeologische resten opgegraven (behoud ex situ).

Het doel van opgraven is het documenteren en interpreteren van de grondsporen en het verzamelen van de vondsten. Hierbij wordt de gehele vindplaats, of een representatief deel ervan, opgegraven.

Op zoek naar archelogische resten bij een opgraving in Oostrum (Limburg).

Op zoek naar archelogische resten bij een opgraving in Oostrum (Limburg).

Certificaat om op te graven

Er is een aantal partijen die mogen opgraven. Dit zijn onder meer gemeenten, universiteiten en bedrijven die in het bezit zijn van een opgravingsvergunning of certificaat. Lees meer over certificeringen in de archeologie.

Opgravingsmethoden

Er zijn diverse soorten opgravingen zoals stadsopgravingen, opgravingen in het buitengebied en opgravingen onder water. De aard van de archeologische resten, de locatie en de wetenschappelijke vraagstellingen bepalen de te hanteren opgravingsmethode. In de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie staan onderzoeksvragen die sturend kunnen zijn voor dit soort onderzoek. Ook provinciale, regionale of gemeentelijke onderzoeksagenda's kunnen relevante onderzoeksthema's en -vragen bevatten.

Een nederzetting uit de steentijd vereist een andere benadering dan een kasteelterrein uit de middeleeuwen. Lees meer over opgravingsmethoden in de KNA-protocollen.

Vondsten

Opgravingen resulteren in archeologische vondsten, sporen uit het verleden die iets vertellen over onze geschiedenis. De gevonden objecten worden meestal verder onderzocht.

Rapportage en evaluatie

Na de opgraving vindt een evaluatie plaats. In deze evaluatie zijn de resultaten van het veldwerk geanalyseerd. Deze resultaten worden vastgelegd in een rapport, dat uiterlijk twee jaar na afronding van het veldwerk verschijnt.

Het rapport bestaat in ieder geval uit:

  • een beschrijving van de aangetroffen vondsten, sporen en structuren;
  • bijdragen van archeologische specialisten;
  • de synthese, waarin antwoord wordt gegeven op de in het programma van eisen gestelde onderzoeksvragen.

Aan welke eisen het rapport allemaal moet voldoen, is beschreven in het KNA-protocol voor opgraven. Het rapport wordt bij voorkeur getoetst door een onafhankelijk archeologisch adviseur/bedrijf.

De KNA verplicht de archeologische uitvoerder om het rapport, de vondsten en bijbehorende documentatie uiterlijk twee jaar na beƫindiging van het veldwerk over te dragen aan het betreffende (provinciale of gemeentelijke) depot voor bodemvondsten.