De blogreeks Herkomstverhalen gaat in op de herkomst van zes objecten in de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In maart 2025 ‘ontmoetten’ deze voorwerpen elkaar in het CollectieCentrum Nederland (CCNL) in Amersfoort. Daar waren ook RCE-experts uit allerlei vakgebieden om ter plekke materiaalonderzoek te doen. Kunnen de materialen waarmee de objecten zijn gemaakt informatie geven over de herkomst? In dit afsluitende blog delen we de bevindingen van deze dag.

Bij wijze van proef liet de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de herkomst van zes objecten uit de collectie onderzoeken die afkomstig zijn uit een koloniale context. Elk object heeft een eigen geschiedenis en vraagt om een unieke benadering. Daarom werden verschillende specialisten(duo’s) ingeschakeld. Deze blogreeks volgt hun aanpak en bevindingen.

De onderzoekers van het Rijkserfgoedlaboratorium in Amsterdam brachten mobiele apparatuur mee, waarmee zij op locatie onderzoek kunnen uitvoeren. Het was een drukke dag, waarop scans werden gemaakt en tests werden gedaan. Dit alles om zo veel mogelijk te weten te komen over de materialen van de verschillende objecten. Deze materiaaltechnische kennis kan ook in de toekomst behulpzaam zijn bij vervolgonderzoek naar de herkomst en worden ingezet bij het onderzoeken van andere objecten uit een koloniale context.

Ter introductie gaf Hanna Pennock, adviseur koloniale collecties bij de RCE, een toelichting bij de objecten. Samen werden de vragen benoemd waarmee de onderzoekers aan de slag konden gaan. Een belangrijk gespreksonderwerp was dat het bij objecten uit een koloniale context niet altijd vanzelfsprekend is ze te hanteren, laat staan ze te doorstralen. Wanneer objecten religieuze of spirituele betekenis hebben, heeft het de voorkeur dat er alleen materiaaltechnisch onderzoek wordt gedaan in overleg met de herkomstgemeenschap. Ook monsters nemen, voor restauratoren een vanzelfsprekende stap, is bij deze voorwerpen uit den boze. De objecten die door de RCE zijn onderzocht, hebben geen religieuze of spirituele betekenis.

Beeld: Rutger Morelissen

Introductie bij de objecten

Nigeriaans Igbo-beeld en ‘Papoees masker’

In de eerste ronde kwamen het Nigeriaanse Igbo-beeld en het ‘Papoees masker’ aan bod. Het opvallende onderdeel van het Igbo-beeld is de metalen staaf die door het oog steekt. Ook was interessant om de houtsoort te determineren. Het eerste is gelukt door de staaf met röntgenfluorescentie-techniek (XRF) te analyseren: hij bleek van Cortenstaal te zijn. Dat geeft een ruime, maar duidelijke datering: na 1935. Het monster van het hout dat op deze dag werd genomen is bij het Rijkserfgoedlaboratorium met de scanning elektronen-microscoop (SEM) bekeken. Helaas waren in de kleine monsters (te klein voor dendrochronologisch onderzoek) geen specifieke kenmerken zichtbaar waardoor de houtsoort niet vast te stellen was. Eventueel zou de ouderdom van het hout met een koolstof-14-datering nader bepaald kunnen worden. Met multispectrale imaging (Crime-lite) was te zien dat er mogelijk lijm op het oppervlak aanwezig was.

Het masker is hoogstwaarschijnlijk voor de toeristenmarkt gemaakt. Zijn de materialen dan ook anders dan wanneer het masker voor de bevolking van Papoea-Nieuw-Guinea zelf bestemd zou zijn? Een schelp en een tand zijn met Raman-spectroscopie geanalyseerd. De schelp bestaat uit calciet en is dus geen porseleinen kopie zoals destijds wel gebruikt werd. De gebroken tand bevat calciumfosfaat – Ca3(PO4)2 – wat duidt op een tand van bijvoorbeeld een (wratten)zwijn, dus ook geen (synthetische) kopie. Er zijn houtmonsters met SEM onderzocht, helaas waren geen specifieke kenmerken zichtbaar in de monsters van het hout en de plantenvezels die het ‘haar’ van het masker vormen. Deze natuurlijke materialen konden dus niet worden geïdentificeerd.

Beeld: J. Pors

Onderzoek aan het masker uit Papoea-Nieuw-Guinea

Kuba-beker uit het Witsenhuis en de Indiase doeken

In de tweede ronde waren de Kuba-beker uit het Witsenhuis en de Indiase doeken aan de beurt. De beker lijkt behandeld met (boen?)was, die in het uitgesneden reliëf is opgehoopt. Ook is ergens een klein blauw vlekje te zien en is er een metalen spijkertje in het hout geslagen.

De houtsoort is met de microscoop onderzocht. Maar zonder de afwerking te verwijderen was het niet mogelijk om de houtsoort vast te stellen. De legering van het nageltje is met XRF geanalyseerd: het is gemaakt van messing, een legering van koper en zink.

De blauwe vlek werd met behulp van XRF en Raman geanalyseerd. De aangetoonde elementen zijn niet te verbinden aan een blauw pigment. Er zijn echter wel elementen aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een verf. Het gaat daarbij om barium, zwavel, calcium en zink en er lijken bariumsulfaat, zinkwit en mogelijk een calciumcarbonaat en/of -sulfaat aanwezig te zijn. Alles bij elkaar genomen wijst het wel op een verf, waarbij er vanuit wordt gegaan dat het niet object-eigen is maar een vlekje op het oppervlak betreft. Wie weet is een spetter verf in Willem Witsens atelier op de beker terechtgekomen?

Beeld: Renate Meijer

Opnames van de Kuba-beker en het Igbo-beeld met Crime-lite.

Het materiaal in de groeven is met Crime-lite en infraroodspectroscopie (FTIR) geanalyseerd. Het blijkt inderdaad bijenwas te zijn, die vermoedelijk ook op de rest van de buitenkant aanwezig is.

De twee geborduurde doeken uit Museum Lambert van Meerten in Delft staan ingeschreven als afkomstig uit ‘Voor-Indië’, destijds een Britse kolonie, en er is mogelijk een relatie met de stoffenhandelaar Liberty uit Londen. Bij deze twee objecten is gekeken naar de gebruikte vezels en kleurstoffen van de weefsels. Ook is het bij object LM2815, dat samengesteld lijkt, interessant om te bekijken of de borduursels inderdaad van verschillende kledingstukken komen.

De vezels zijn ter plekke met de lichtmicroscoop onderzocht, in het geval van doek LM2816 bestaan de vezels uit zijde. Er zijn waarschijnlijk natuurlijke kleurstoffen gebruikt. Doek LM2815 bestaat uit meerdere stukken die aan elkaar zijn gezet. Hier zijn mogelijk wel synthetische kleurstoffen gebruikt en de roodgekleurde vezels zijn zijde. Om de kleurstoffen te kunnen analyseren zijn monsters genomen van de verschillende kleuren.

Een ‘offerschaal’ en vier ‘lantaka’-kanonnen

In de middag, terwijl andere onderzoeken nog doorliepen, lag de focus op de laatste voorwerpen: een ‘offerschaal’ en vier kleine kanonnen. Op deze dag in maart 2025 zijn er al wel vragen over de functie van de schaal. Rijksmuseumconservator Ching-Ling Wang is toevallig in het pand en komt kort een blik werpen op de schaal. Hij zegt dan meteen ‘19de eeuw, Chinees’. Uiteindelijk blijkt dit helemaal geen offerschaal te zijn, maar een drager van een puzzelbal.

De vragen bij het onderzoek in CCNL zijn: is dit object samengesteld uit losse onderdelen en bestaan die uit verschillende materialen, vanwege de lichte verkleuring? En: kan het ivoor worden gedetermineerd? Wanneer het ivoor wordt geanalyseerd met Raman blijkt dat het object inderdaad uit ivoor of been bestaat. Aangezien dit object intussen is herkend als een drager van een puzzelbal, gewilde objecten die uit ivoor werden gesneden, is het aannemelijk dat ook deze standaard van ivoor is.

De vier bronzen kanonnen zijn ergens in de 17de tot 19de eeuw vervaardigd in Zuidoost-Azië. Daar werd dit type kanon ‘lantaka’ genoemd. De wapens zijn precies opgemeten (informatie die nog ontbrak in het dossier) en er is op verschillende plaatsen met XRF gekeken naar de legering van de kanonnen. Het betreft in alle gevallen een koperlegering met zink (messing) met sporen van lood, tin en antimoon. De legering van de kanonnen moet nog worden vergeleken met die van de kanonnen in Museum Bronbeek.

  1. Raman-onderzoek aan de drager van de puzzelbal
  2. Onderzoek aan de lantaka’s met XRF

Conclusies en nieuwe vragen

Het was inspirerend om al deze specialisten in één ruimte in actie te zien, te merken hoe zij met elkaar de taken verdeelden en hun bevindingen uitwisselden en aanvulden. Toch bleek het niet in alle gevallen gemakkelijk om aan de materiaalanalyses direct conclusies te verbinden. De vragen die over de objecten werden gesteld konden niet allemaal binnen het bestek van één dag worden beantwoord. Dit komt omdat sommige analyses meer tijd en andere apparatuur vragen. Vooral voor de analyse van hout en vezels, brons en pigmenten is aanvullend onderzoek nodig. Ook zou het goed zijn om de resultaten dan te vergelijken met onderzoek aan objecten in de plaats van herkomst of elders in een museumcollectie. Zo moeten de analyseresultaten van de bronzen kanonnen uit Indonesië bijvoorbeeld worden vergeleken met die van kanonnen uit andere musea. Dit zal in een vervolgproject worden gedaan. De kleurstoffen in de twee doeken uit ‘Voor-Indië’ worden nog geanalyseerd in het Rijkserfgoedlaboratorium.

De aangetroffen materialen gaven op deze dag dus nog niet helemaal uitsluitsel over de geschiedenis van het object. Deze eerste bevindingen nodigen des te meer uit tot nader materiaaltechnisch onderzoek. Dit pilotonderzoek wierp dus onvermijdelijk weer nieuwe vragen op. 

De zin van materiaaltechnisch herkomstonderzoek

In hoeverre materiaalonderzoek kan bijdragen aan herkomstonderzoek is afhankelijk van verschillende factoren. Voorop moet staan wat er al bekend is over het voorwerp en of de herkomstgegevens in de collectieregistratie kloppen. In het beste geval wordt er eerst herkomstonderzoek gedaan – met die kennis en informatie kunnen de vragen over het materiaal beter worden geformuleerd. Het onderzoek kan bijdragen aan de verificatie van de herkomst óf informatie toevoegen over een mogelijke plaats van herkomst. Wanneer objecten een religieuze of spirituele betekenis hebben, kan materiaaltechnisch onderzoek alleen worden gedaan in overleg met de herkomstgemeenschap.

Niet alle materialen zijn goed te onderzoeken, en van nog maar weinig materialen uit koloniale context is uitgebreide kennis voorhanden. Naar de herkomst van het koper dat is gebruikt in de bekende Benin bronzen is bijvoorbeeld al onderzoek gedaan. Maar over tropisch hardhout is bij de RCE nog weinig kennis, wat het lastig maakt een houtsoort te lokaliseren. Het AfricaMuseum in Tervuren beschikt over een xylarium met meer dan 80.000 houtstalen van over de hele wereld. Samenwerking met de afdeling Houtbiologie aldaar en ook met Naturalis is aan te bevelen.

In de loop der tijd zal er meer kennis beschikbaar komen die in een database kan worden vervat. Hiermee komt er steeds meer referentiemateriaal beschikbaar dat op internationaal niveau gebruikt en aangevuld kan worden. Dit zal het herkomstonderzoek in het algemeen ten goede komen.

Deze blog is onderdeel van de serie Herkomstverhalen: #herkomstverhalen.