De slavenregisters van Suriname en Curaçao

Hoe maak je het slavernijverleden zichtbaar en bespreekbaar? De koloniale slavenregisters zijn vanwege hun uitvoerige informatie een erg waardevolle archiefbron. De toegankelijkheid van de registers vormde echter lange tijd een probleem. Maar dankzij een digitaliseringsproject waarvoor de Radboud Universiteit in Nijmegen en de Anton de Kom Universiteit van Suriname de handen ineen sloegen, is het slavenregister van Suriname in 2018 online toegankelijk gemaakt. In 2020 volgde het register van Curaçao. Een brede groep vrijwilligers in Nederland en Suriname werkte mee aan het opzetten van deze databases. Een bewuste en juiste keuze, zo bleek: het participatieve karakter was essentieel voor de grote maatschappelijke relevantie van dit succesvolle erfgoedinitiatief.

Belangrijke bron uit het verleden

Met het project ‘Historische Database van Suriname en Curaçao’ maakt de Radboud Universiteit in samenwerking met de nationale archieven en universiteiten van Suriname en Curaçao, informatie over alle bewoners van Suriname en Curaçao vanaf ongeveer 1830 tot 1950 in één grote database beschikbaar. Tussen 1997 en 2002 is in Suriname al de basis voor dit project gelegd met de registers van immigranten (contractarbeiders) uit Brits-Indië, Indonesië en China. De slavenregisters vormen nu een aanvullende bron van informatie, maar ook emancipatieregisters, de burgerlijke stand en volkstellingen maken onderdeel uit van het project. Met behulp van al deze bronnen is het mogelijk de levens van mensen uit verschillende generaties te reconstrueren. Zo ontstaat meer inzicht in hoe slavernij en kolonialisme over generaties heen van invloed zijn geweest en wat het vandaag de dag nog voor consequenties heeft. In 2017 startte het project als eerste met de digitalisering van de slavenregisters van Suriname. Hierin zijn vrijwel alle 80.000 in slavernij levende mensen tussen 1830 en 1863 uitgebreid geregistreerd, met onder andere hun naam, geboortedatum, informatie over vrijlating of verkoop en overlijden. De inventarisatie van de slavenregisters, waar de Anton de Kom Universiteit van Suriname al jaren aan werkte, kwam door het project in een stroomversnelling.

“De mensen waren er zó bij betrokken, dat het transcriberen binnen vier maanden was afgerond.”

Publiek bij betrokken

Coen van Galen, historicus aan de Radboud Universiteit en gespecialiseerd in historische demografie en slavernijgeschiedenis, is een van de projectleiders. Hij en zijn collega Maurits Hassankhan, historicus aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, wisten al snel dat dit niet een project van alleen wetenschappers moest worden: “Dit is niet iets dat we achter de schermen op de universiteit moesten doen, maar juist iets waar het publiek bij betrokken moest worden. Daarnaast ging er heel praktisch gezien een behoorlijke hoeveelheid werk in zitten en we wisten niet hoe we dit anders hadden moeten financieren.” De crowdfundingscampagne die Van Galen daarom met het projectteam startte, diende tegelijkertijd als wervingscampagne voor vrijwilligers. En met succes: binnen een maand was het benodigde geld bij elkaar en stond de teller met aanmeldingen op meer dan duizend. Vanaf juli 2017 hielpen de vrijwilligers met het transcriberen, het overschrijven van alle informatie uit de scans van de registers naar een database. “Ik had verwacht dat dit zeker een half jaar zou duren. Maar deze mensen waren er zó bij betrokken, dat het transcriberen binnen vier maanden was afgerond”, vertelt Van Galen. “Vrijwilligers zijn mensen die een onderwerp kiezen waar ze al iets mee hebben, omdat ze bijvoorbeeld zelf familieonderzoek hebben gedaan, een historische opleiding hebben genoten of bibliothecaris zijn geweest. Die weten heel goed hoe dit soort bronnen in elkaar zitten. Dat was een grote ontdekking voor mij. En dan kan het heel hard gaan.”

Slavernij als gezamenlijke geschiedenis

De uiteenlopende achtergronden en drijfveren van de vrijwilligers die zich aanmeldden, gaven daarnaast een goede indicatie van de maatschappelijke relevantie van de slavenregisters als erfgoed. Van mensen met rechtstreekse familiebanden in de registers, tot mensen met waardevolle kennis over Suriname en vrijwilligers die vinden dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot zijn slavernijverleden. Ze voelden zich stuk voor stuk eigenaar van het project, zegt Van Galen: “Vanaf het begin hebben we gezegd dat de registers geen mooie geschiedenis vormen, maar wel onze gezamenlijke geschiedenis. En die gaan we beschikbaar maken. We zagen het ook als een project waarbij een brede groep vrijwilligers zelf kon nadenken over de vraag ‘Wat is slavernij?’ Tijdens verschillende avonden die we hebben georganiseerd konden ze hier met elkaar over praten. Er was een enorm groepsgevoel. Ik denk dat dat de kracht is geweest.” En die kracht lijkt blijvend aanwezig: veel van de vrijwilligers die hebben geholpen bij de slavenregisters, helpen nu ook weer bij het transcriberen van de burgerlijke stand van Suriname, het onderdeel waarmee eind 2021 is gestart.

Best bezochte databases

Sinds de slavenregisters online zijn verschenen op de website van het Nationaal Archief, behoren ze tot de best bezochte databases. Dankzij de grote belangstelling krijgt het gemeenschappelijk verleden en de verhouding tussen Nederland en Suriname als erfgoed meer betekenis. Hassankhan ziet hier een duidelijke toename in: “Suriname was een deel van het Nederlandse koloniale rijk en de sporen daarvan zijn te vinden in Suriname en Nederland, zowel in materieel als immaterieel opzicht. Dat wordt steeds duidelijker door onderzoeken over sporen van het slavernijverleden in Nederland. En door de aanwezigheid van Surinamers in Nederland is de band onlosmakelijk. Die is niet meer weg te wissen.”      

De emotionele lading van de registers speelt ook een grote rol, ziet zijn collega Van Galen: “Mensen met familiebanden weten misschien wel hoe hun voorouders hebben geleefd, maar nu staat het echt op papier. Op een bepaalde manier zijn die voorouders in ere hersteld omdat ze zichtbaar zijn gemaakt. En dan merk je ook wat de maatschappelijke impact is: er verschijnen toneelstukken, radioprogramma’s en podcasts waarin onderzoek op basis van de slavenregisters wordt gebruikt om het verhaal over slavernij te vertellen. Daar doe je het voor. En dan ook nog met hulp van de samenleving zelf.” Het stemt de historicus optimistisch over de maatschappelijke betrokkenheid van burgers: “Als je je wereldbeeld wilt verbeteren, moet je een project zoals dit opzetten. Dan zie je hoeveel mensen betrokken zijn en daar iets moois van willen maken.”

Waarom passen de slavenregisters van Suriname en Curaçao bij het Verdrag van Faro?

In het Verdrag van Faro wordt het belang beschreven van goede digitale informatievoorzieningen voor erfgoed, om het zo toegankelijk mogelijk te maken vanuit democratisch perspectief. Ook kan erfgoed zo doorgegeven worden aan volgende generaties. De digitalisering van de slavenregisters heeft precies die toegankelijkheid voor huidige en toekomstige generaties als doel voor ogen. Daarbij zorgt de betrokkenheid van een brede groep vrijwilligers voor een diverse benadering van het erfgoed, zet deze aan tot dialoog én kunnen de registers nu worden gebruikt voor onderzoek.

De RCE en het Faro programma

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) volgt projecten en initiatieven als de slavenregisters van Suriname en Curaçao met met veel interesse. Niet alleen omdat dergelijke initiatieven andere projecten kunnen inspireren, maar ook omdat ze een belangrijke bron zijn voor de uitvoering van het Faro-programma.

Met dit programma onderzoekt de RCE de voorwaarden en gevolgen van ratificatie van het Verdrag van Faro. Dit verdrag stelt niet het erfgoed maar de mens centraal en draagt als titel: 'De Verbindende waarde van erfgoed'. Participatie staat hierbij centraal. Daarom is het doel van de Rijksdienst dat over tien jaar initiatieven uit de samenleving en participatie vanzelfsprekende onderdelen van de erfgoedpraktijk zijn.