Het Höfke van Sint Antonius – een nieuw leven voor een vervallen kloostertuin

Een historische kloostertuin midden in een voormalige mijnwerkerskolonie in Heerlen was altijd een vaste plek voor én door buurtbewoners. Toen de laatste kolenmijn werd gesloten en veel mijnwerkers vertrokken, raakte ook het hofje langzaam in vergetelheid. De buurtbewoners willen op eigen initiatief het hofje nieuw leven inblazen. Van de gemeente krijgen ze alle vrijheid. Het wordt een gemeenschappelijke plek van groen met moestuinen vol bloemen en kruiden, ruimte voor optredens en toegang voor scholen.

Het mijnverleden als toekomst

Zuid-Limburg kent een rijk kolenmijnverleden. Mijnbedrijf Oranje-Nassau was vanaf 1899 actief in de regio. Mijnwerkers kwamen uit verschillende landen en werden samen met hun gezinnen ondergebracht in speciale wijken: de koloniën. In Heerlen ontstonden zo onder meer de buurten Grasbroek, Musschemig en Schandelen. Armoede, onderlinge spanningen en overmatig drankgebruik zorgden voor sociale onrust. Politieke en religieuze ‘regenten’ vreesden dat afwijkende politieke ideeën zouden opspelen. Daarom besloten de franciscanen zich in de wijk Musschemig in 1910 in met een kerk, klooster en patronaat te vestigen. De kloostertuin – het Höfke van Sint Antonius – was al snel een drukbezochte plek voor én door buurtbewoners. Er werd geld ingezameld voor een kapel die een mijnwerker uit de buurt zelf bouwde. Vrijwilligers maakten een pad door de kloostertuin, langs dertien statiehuisjes over het leven van Sint Antonius. Het werd een plek voor verenigingen en feesten, en later een bedevaartsoord. Maar toen kwam het sociale verval. In 1974 werd de laatste mijn gesloten. De kerk werd afgebroken. Het Höfke bleef dat lot bespaard maar raakte verwaarloosd. In 2018 besloten de buurtbewoners actie te ondernemen en Stichting Höfke van Sint Antonius werd opgericht

“Zichtbaarheid helpt. Het werkt het beste als mensen zien dat je bezig bent.”

Samen doen en samen leren

De stichting wil de kloostertuin herstellen en daarna zelf onderhouden, om er een groene plek van bezinning en ontmoeting te maken. Een groep van 35 vrijwilligers gaat de kapel, de statiehuisjes en de toegangspoort opknappen. De tuin wordt een groene oase waar iedereen gebruik van kan maken, met fruitbomen en pluktuinen. Bewoners brouwen er hun eigen bier of gaan op snoeicursus. Het naastgelegen cultuurhuis geeft er optredens. Er zijn plannen om scholen in de buurt bij de tuin te betrekken, met lesmateriaal en activiteiten. Bijvoorbeeld dat leerlingen zelf een moestuin bijhouden of appelmoes maken. Op deze manier wordt zowel het erfgoedverleden als het gemeenschapsgevoel van de wijk doorgegeven aan de volgende generatie.

Gitte Kroes is voorzitter van de stichting en woont zelf in de wijk Musschemig. Sponsering bleef achter, dus verzon ze samen met andere buurtbewoners een andere manier om financiering rond te krijgen. De stichting klopte aan bij de gemeente. Ze kregen een budget en konden subsidie aanvragen voor activiteiten. De stichting kwam onder andere in contact met Gebrookerbos – een initiatief van de gemeente dat buurtbewoners zelf verantwoordelijk maakt voor ontwikkeling van hun buurt. Door de gesloten mijnen en demografische ontwikkelingen zijn in veel wijken verwaarloosde of lege plekken ontstaan. Bewoners mogen deze plekken zelf een nieuwe invulling geven en dragen zo zelf bij aan ontwikkeling van de regio. De gemeente ondersteunt ze daarbij. Door de initiatieven raken andere bewoners geïnspireerd om ook de handen uit de mouwen te steken. “Zichtbaarheid helpt. Het werkt het beste als mensen zien dat je bezig bent”, vertelt Kroes.

Het belangrijkste is dat de vrijwilligers zelf met ideeën komen, legt Kroes uit: “Mijn rol beperkt zich – behalve papierwerk, meedoen en meedenken – tot mensen betrekken, de planning in de gaten houden en openstaan voor andermans ideeën. En ik word blij als ze hier met een glimlach op hun gezicht staan en zich gewaardeerd voelen om wat zij voor elkaar hebben gekregen.” Het eerste project is inmiddels met succes voltooid: een mozaïek op het voormalige pissoir. De verhalen van buurtbewoners vormden hiervoor de inspiratie. Een kunstenaar uit de buurt zorgde voor het ontwerp: de mijn, de kerk, de steenberg en een mijnwerker die uit de ‘nachsjieg’ komt en nog even ‘moet’. Uiteindelijk is het mozaïek door bewoners zelf geplaatst. Iedereen draagt zo zijn steentje bij om de kloostertuin tot bloei te laten komen. De buurtbewoners houden het gedachtengoed van dit overblijfsel uit het mijnverleden intact.

Waarom past Het Höfke van Sint Antonius bij het Verdrag van Faro?

Volgens het Verdrag van Faro kan erfgoed ook een middel zijn om doelen te behalen. Het erfgoed uit het mijnverleden van Heerlen wordt ingezet om de buurt voor bewoners en bezoekers aantrekkelijker te maken. Het Höfke van Sint Antonius is een mooi voorbeeld van het Right to Challenge waarbij bewoners het beheer van erfgoed overnemen van de overheid en meedenken over de ontwikkeling van hun buurt. Buurtbewoners kwamen zelf met het plan om de kloostertuin en kapel op te knappen. Ze worden weliswaar ondersteund door de gemeente maar zijn verder vrij om hun eigen ideeën uit te voeren. De kloostertuin wordt zo weer de groene gemeenschappelijke plek in de buurt die het vroeger ook was. Activiteiten dragen bij aan binding met de buurt, voor scholen is het een bron van educatie. Het gedachtengoed en het belang van erfgoed wordt hiermee doorgegeven aan toekomstige generaties.

De RCE en het Faro-programma

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) volgt projecten en initiatieven als het Höfke van Sint Antonius met veel interesse. Niet alleen omdat dergelijke initiatieven andere projecten kunnen inspireren, maar ook omdat ze een belangrijke bron zijn voor de uitvoering van het Faro-programma.

Met dit programma onderzoekt de RCE de voorwaarden en gevolgen van ratificatie van het Verdrag van Faro. Dit verdrag stelt niet het erfgoed maar de mens centraal en draagt als titel: De Verbindende waarde van erfgoed’. Participatie staat hierbij centraal. Daarom is het doel van de Rijksdienst dat over tien jaar initiatieven uit de samenleving en participatie een vanzelfsprekend onderdeel van de erfgoedpraktijk zijn.