Gemengde gevoelens

Weblog

In Nederland zijn ruim 3200 bronzen (geregistreerde) voorwerpen uit de bronstijd bekend. Het zijn archeologische vondsten van zwaard tot bijl, en van armband tot mantelspeld. Van veel van die vondsten, soms tot wel 4000 jaar oud, weten we niet waar het materiaal vandaan komt. Een nieuw onderzoeksproject wil daar nu verandering in brengen. In een serie blogs neemt het projectteam ons mee in hun onderzoek. In blog twee vertelt Liesbeth Theunissen over het boren in zo'n eeuwenoud voorwerp.

Wat doet het met je, zo’n gaatje boren in een 3500 jaar oud bronzen voorwerp? Die vraag wordt mij nu vaak gesteld. Eerlijk gezegd is dat een mengeling van gevoelens, mixed feelings dus. Soms is het eng omdat de mantelspeld, kokerbijl of speerpunt zo dun is dat ik twijfel of de boor er wel doorheen gaat, of weg zal schieten. En schuin boren, om zo onzichtbaar mogelijk aan de binnenkant van een koker te bemonsteren, blijkt in de praktijk eigenlijk ondoenlijk. Als het goed gaat, is er echte opluchting.

detailopname van een bronzen bijl en het geboorde gaatje daarin
Een kokerbijl, met een geboord gaatje aan de bovenkant van de kokermond.

Weerstand

Ik herinner mij goed mijn eigen afschuw toen ik de grote happen zag die een paar jaar geleden uit bijlen waren gezaagd. Die aanblik was indringend, voelbaar tot in mijn maag. Gelukkig is het gaatje dat wij boren maar 1 mm groot, maar toch. Soms voel ik ook een lichte weerstand een perfect bewaard gebleven zwaard of bijl iets aan te doen. Kennelijk speelt de schoonheid van het object ook een rol, althans bij mij. Boren in een bronstijdvoorwerp dat de tand des tijds minder goed heeft doorstaan – gebroken en zwaar aangepast door zure drijfmest – gaat gevoelsmatig makkelijker. Meer vanuit de gedachte: dan kan dit gaatje er ook nog wel bij.

Een onzichtbare ingreep

Blij word ik als de langzaam roterende boor gouden bronskrullen draait, uit de binnenkant van het voorwerp. Dat is tot nu toe twee keer gebeurd, bij hielbijlen, sindsdien mijn favoriete categorie voor bemonstering. En dan is er nog de verwondering na het dichten van het gaatje met kristallijne, op kleurgebrachte was. In minder dan een halve seconde is er niets meer van de ingreep te zien. Volledig weggewerkt, onzichtbaar gemaakt voor de eeuwigheid. Zelfs met een leesbril of loep is het onmogelijk om de monsterplek te spotten.

klein plastic buisje (epje) in een hand
De bronskrullen in een epje. Deze kleine plastic buisjes worden in het project gebruikt om de boorslijpselmonsters op te slaan.

Nieuwe verhalen

Wat na de analyse van het boorslijpsel overblijft zijn de nieuwe verhalen die uit deze bronstijdbeauty’s ontspruiten. Het eerste verhaal gaat over de samenstelling van het brons. Wat zit er precies in, naast koper en tin? Het zijn juist die details die ons meer kunnen vertellen over de herkomst. De verhoudingen arseen, antimoon of zilver zijn eigenlijk een soort vingerafdruk. Deze spoorelementen vertellen iets over het omsmelten. En over welke soort kopererts is gebruikt. Zo geeft een hoog arseen- of antimoongehalte aan dat een voorwerp niet is gemaakt van herhaaldelijk omgesmolten brons. Die elementen verdwijnen namelijk supersnel bij het (her-)verhitten. Brons met veel arseen of antimoon zit dus dicht bij de oorspronkelijke ertssamenstelling.

De andere, nieuwe verhaallijn komt voort uit het onderzoek naar de stabiele loodisotopen. De verhoudingen daarin geven aan wat het meest aannemelijke herkomstgebied is van het kopererts. Uit het oosten, bijvoorbeeld de Alpen, Oostenrijk? Of toch Iers, Welsh? Of meer uit het zuiden, Spaans, Sardijns of Italiaans? Die verhalen maken het boren meer dan waard.

Deze blog is geschreven door Liesbeth Theunissen (RCE)