De RCE biedt veel mogelijkheden om stage te lopen. Zo ook in de archeologie. Wanneer je start en hoe lang je stage duurt, is afhankelijk van het onderwerp en de regels vanuit je opleiding. Jouw stage kan bijdragen aan (online) publicaties, adviezen, bescherming, vergroting van kennis en ontsluiting van bronnen. Op deze pagina lees je over de mogelijkheden, voorwaarden en hoe te solliciteren.
Stageonderwerpen
ONDERWERP VOOR MASTERSCRIPTIE
Vondsten in de bouwvoor, wat doen we er mee? Onderzoek naar de potentie van vondsten in verstoorde context voor het nederzettingsonderzoek.
In de afgelopen jaren zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd waarbij zowel het sporenniveau als de bijbehorende vondstlaag is onderzocht. Op veel plaatsen in Nederland ligt deze vondstlaag direct aan het maaiveld en is deze als gevolg van bodembewerking verstoord (bouwvoor). In het pleistocene deel van Nederland gebeurt het onderzoek naar vondstlagen slechts mondjesmaat en dan met name voor de eerdere perioden (steentijd). Ook bij de niet afgedekte vindplaatsen in het holocene deel van Nederland die gedeeltelijk zijn opgenomen in de bouwvoor, wordt dit type onderzoek zelden uitgevoerd. De reden hiervoor lijkt de (veronderstelde) geringe resolutie (zeggingskracht ) te zijn van het materiaal omdat de post-depositionele processen hier aanmerkelijk complexer en meer verstorend zijn dan bij afgedekte vindplaatsen. Indien het onderzoek wel wordt uitgevoerd, gebeurt het op verschillende manieren: oppervlaktekartering, vondstverzamelen bij geleidelijk vlak verdiepen of een zeefstrategie, al dan niet steekproefsgewijs. De vraag is welke waarde dergelijk onderzoek heeft voor de interpretatie en datering van de vindplaatsen.
Resultaat
Scriptie met daarin een inhoudelijke evaluatie van een aantal onderzoeken waarbij de vondsten uit de bouwvoor zijn verzameld. Deze evaluatie gaat in op de relatie gehanteerde methode van vondstverzamelen en de interpretatie en datering van vindplaatsen. Daarnaast een beargumenteerde aanbeveling hoe en bij welk type vindplaats deze wijze van onderzoek breder ingezet zou kunnen worden.
Opleidingsniveau
Universitair
Duur
3 tot 6 maanden
ONDERWERP VOOR MASTERSCRIPTIE
De waarde van de vondstlaag? De toegevoegde waarde van het onderzoek naar de vondstlaag bij opgravingen met een sporenniveau.
In de afgelopen jaren zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd, waarbij zowel het sporenniveau als de bijbehorende vondstlaag is onderzocht. Deze vondstlaag (in sommige rapporten en publicaties ook wel cultuurlaag, oud oppervlak, begraven bodem of “vuile” laag genoemd) bevat materiaal dat een relatie kan hebben met de daaronder gelegen sporen. Wanneer de sporen weinig tot geen vondsten bevatten (of geen duidelijke structuur) kan de vondstverspreiding en de aard van het vondstmateriaal indicatief zijn voor de interpretatie van de daaronder gelegen sporen en structuren.
Het onderzoek van vondstlagen vindt vooral plaats in het holocene deel van Nederland. Op veel plaatsen heeft de afdekking van de vondstlaag niet lang na de depositie van de archeologische waarden plaatsgevonden. Hierdoor zijn de archeologische resten relatief minder verstoord geraakt en daardoor makkelijker te interpreteren. In het pleistocene deel van Nederland hebben de archeologische resten doorgaans langer aan of dicht onder het oppervlak gelegen, waardoor de post-depositionele processen doorgaans aanzienlijk complexer en meer verstorend voor de archeologische resten zijn. Afdekking heeft hier meestal alleen plaatsgevonden waar in of na de middeleeuwen plaggendekken zijn ontstaan of stuifzand is afgezet en veen en beek- en rivierafzettingen.
Een standaardmethode voor het onderzoek van een vondstlaag bestaat niet; verschillende strategieën worden gehanteerd bij het verzamelen van de vondsten. De laag kan steekproefsgewijs bemonsterd worden, volledig gezeefd, handmatig verzameld, etc. De vraag is of afhankelijk van de periode, het complextype, gebied of specifieke vraagstelling een standaardmethode op te stellen is.
Resultaat: Masterscriptie met daarin een aantal aansprekende case studies van verschillende vindplaatsen (nederzettingen) uit verschillende perioden waarin de waarde van dit type onderzoek wordt onderzocht. Tevens wordt onderzocht of dit gebieds- en periodeafhankelijk is. Daarnaast volgt een aanbeveling op welke wijze dergelijk onderzoek uitgevoerd zou kunnen worden, eventueel opgesplitst naar gebied, complextype periode en/of eigenschappen van het bodemarchief.
Opleidingsniveau: Universitair
Duur: 3 tot 6 maanden
Aard opdracht: bureaustudie en landschapsanalyse, stage voor student Saxion/universiteit (bachelor/master). Let op: deze stageplaats is gedeeld met de afdeling Landschap.
Het laaggelegen landschap rondom kasteel Tongelaar – gelegen tussen Mill en Beers – vormt een aantrekkelijk casus om meer te weten te komen over depositiezones. Uit het gebied zijn minimaal twee hielbijlen en twee speerpunten bekend. De laaggelegen natte zone lijkt in potentie een aantrekkelijk gebied te zijn geweest in de late prehistorie voor de (rituele) depositie van bronzen voorwerpen. Of dat zo is, staat in deze opdracht centraal.
De opdracht bestaat enerzijds uit het samenbrengen van de informatie over bekende vindplaatsen uit de bronstijd (bureauonderzoek) en anderzijds uit het relateren van de archeologische informatie aan landschapslagen van dit (voormalige) rivierenlandschap. Zo’n gedetailleerde landschappelijk-archeologische studie vormt uiteindelijk de basis voor het ontwerp van een veldwerkfase om de potentie op depositiezones te toetsen.
Product: stageverslag in de vorm van een bureauonderzoek, te voorzien van een eerste versie van een potentiekaart
Duur: 2-4 maanden
Vereiste opleidingsniveau: HBO, WO (archeologie, landschapsgeschiedenis)
Naam van de begeleider: Liesbeth Theunissen (RCE)
In samenwerking met: Gijs Looijen, beheerder Noord-Oost Brabant (Brabants Landschap)
De archeologie van het Fries-Drents Plateau
De ondiepe ondergrond van het noordelijk deel van het Fries-Drents Plateau (FDP) bestaat uit keileem en dekzand uit het pleistoceen, met aan de randen van het plateau daarboven holocene veen- en zeekleilagen. Op de pleistocene afzettingen van het noordelijk deel van het FDP (het onderzoeksgebied) hebben mensen gewoond en geleefd vanaf het laat-paleolithicum (begin laat-paleolithicum: 35000 v.Chr.) tot in de ijzertijd (eind ijzertijd: 12 v.Chr.) (afb. 1).
Er worden in het onderzoeksgebied vindplaatsen uit deze lange periode gevonden. Door de holocene zeespiegelstijging breidde veen zich uit op het FDP en zijn de randen van het FDP overdekt geraakt door veen en zeeklei. Vooral veenvorming beïnvloedt de geschiktheid voor bewoning en landgebruik in het gebied. Vindplaatsen uit de periode laat-paleolithicum-ijzertijd zijn aan de randen overdekt geraakt door veen en klei en hierdoor lastig op te sporen door archeologen. Dit soort overdekte vindplaatsen zijn goed bewaard gebleven en een rijke bron van kennis. Om archeologen te helpen om deze vindplaatsen op te sporen is een verwachtingsmodel nodig.
Doel stage
Het doel van de stage is om een verwachtingsmodel (predictive model) door middel van machine learning te maken van bewoning en landgebruik op het noordelijk deel Fries-Drents Plateau vanaf het laat-paleolithicum tot en met de ijzertijd. Hypothesen van locatiekeuze in relatie tot landschappelijke eenheden zoals beekdalen worden onderzocht. Hierbij moet rekening worden gehouden met de veranderende condities die aanleiding hebben gegeven tot veenvorming in het gebied en daarmee de ewoningbaarheid van het gebied beïnvloed hebben. Het eindproduct van de stage is een rapport met een serie GIS-kaartbeelden waar in het onderzoeksgebied vindplaatsen per hoofdperiode verwacht kunnen worden.
Uitgangspunten
Uitgangspunt voor de bewoning zijn bekende archeologische vindplaatsen die door middel van inventarisaties bij elkaar zijn gebracht. De inventarisaties (met X- en Y-coördinaten) zijn digitaal beschikbaar als excel-bestanden. Het gaat in totaal om meer dan 3000 vindplaatsen. De problemen met de inventarisaties zijn (en waar een oplossing voor moet worden gevonden) dat:
- er een hoop doublures zijn,
- bepaalde vindplaatsen nauwkeuriger zijn gedateerd dan anderen en
- bepaalde vindplaatsen beter zijn onderzocht dan anderen waardoor het type vindplaats (bijvoorbeeld nederzetting, graf, akker) beter bepaald kon worden.
Uitgangspunt voor het landschap zijn de paleogeografische reconstructies van Peter Vos. Deze reconstructies zijn als GIS-bestanden beschikbaar. Voor een nauwkeurige reconstructie van de veengroei door de tijd heen kan gebruik worden gemaakt van het recente promotieonderzoek van Cindy Quick van Wageningen University & Research.
Begeleiding bij RCE
De begeleiding van het archeologische en landschappelijk deel van de studie wordt verzorgd door Rik Feiken (archeoloog) en Harm-Jan Pierik (fysisch geograaf).
Voor: student Applied Data Science en/of student fysisch geografie
Waar: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort
Omvang stage: 15 tot 30 EC
Wat bieden wij:
- Werkervaring bij een professionele erfgoedorganisatie
- Ruimte voor ontwikkeling van kennis
- Opbouwen van een interessant netwerk
- Begeleiding bij praktische en theoretische stage (WO, HBO en MBO)
- Stagevergoeding
Wat verwachten wij van jou:
- Je volgt een opleiding met aandacht voor (Nederlandse) archeologie
- Je hebt enige kennis van het erfgoedveld
- Je bent nieuwsgierig en leergierig
- Je toont initiatief
- Je kunt zelfstandig werkzaamheden verrichten
- Je bent integer
Interesse of meer informatie?
Heb je interesse in een stage bij de RCE? Reageren kan het hele jaar door. Stuur een mail met een korte motivatie waarom je stage wil lopen, welk onderwerp je aanspreekt, welke opleiding je volgt, de duur van je stage en je cv naar p&o-box.rce@cultureelerfgoed.nl. Ook wanneer je nog vragen hebt over een stage of afstudeeronderzoek kun je per e-mail contact opnemen.