De W.A. van Es-prijs is een stimuleringsprijs voor jong onderzoekstalent op het gebied van de Nederlandse archeologie. Aan de prijs, die jaarlijks tijdens de Reuvensdagen wordt uitgereikt, is een oorkonde verbonden en een geldbedrag van € 2.000 beschikbaar gesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De W.A. van Es-prijs wordt alternerend uitgereikt voor een proefschrift en een masterscriptie. Dit jaar gaat de prijs naar de beste masterscriptie van de afgelopen twee jaar.

Kandidaten konden worden voorgedragen door de scriptiebegeleider of een andere direct bij de totstandkoming van de scriptie betrokken begeleider. Dit jaar kwamen voordrachten binnen vanuit de Universiteit Leiden en de Rijksuniversiteit Groningen. In totaal ontving de jury, bestaande uit Wim van Es, Jos Bazelmans, Lisette Kootker (voorzitter), Roos van Oosten, Saskia Stevens, Nathalie Brusgaard en Menno Dijkstra, tien inzendingen.

De scripties, die dit jaar allemaal van zeer hoge kwaliteit waren, weerspiegelden de grote inhoudelijke bandbreedte waarin studenten binnen de Nederlandse archeologie hun onderzoek verrichten. Een drietal scripties richtten zich op de osteoarcheologie, al dan niet met een natuurwetenschappelijke component. Lotte Nagelhout (Universiteit Leiden) heeft onderzoek gedaan naar de controversiële geslachtsziekte syfilis en het gebruik van kwik als medicatie. Sergio Oñate Gimeno (Universiteit Leiden) onderzocht de relatie tussen de weergave van fysiek werk van vrouwen in de kunst en de pathologieën die daarmee in het osteologisch materiaal uit Middenbeemster corresponderen. Nienke de Boer (Rijksuniversiteit Groningen) richtte zich op de kinderen in Rottum en wist de resultaten van haar osteoarcheologisch onderzoek overtuigend te verbinden met een theoretisch en historisch kader.

Het onderzoek van Gwen Verhoeven (Universiteit Leiden) concentreerde zich daarentegen op niet gearticuleerde menselijke resten in prehistorische nederzettingen: een vondstcategorie die tot op heden nauwelijks systematisch onderzocht is. De jury kreeg daarnaast scripties onder ogen met een opvallend originele onderzoeksinsteek. Zo richtte Thomas de Vries (Universiteit Leiden) zich in zijn scriptie op het gebruik van molshopen als archeologische prospectiemethode. De studie van Floris Jan Bruggink (Universiteit van Amsterdam) liet zien hoe innovatieve 3D-modellering, in combinatie met historische en archeologische context, nieuwe inzichten kan bieden in de architectuur van verdwenen gebouwen. Foske van den Boogaard (Universiteit van Amsterdam) richtte zich volledig op geschreven bronnen (dagboeken) en onderzocht de rol van (ongelijke) arbeidsverhoudingen en -omstandigheden binnen het archeologische onderzoek.

Dat ook publieksarcheologie of citizen science inmiddels een relevant afstudeeronderwerp vormt, blijkt uit de scriptie van Mylou van Westerveld (Universiteit Leiden), waarin zij kritisch analyseerde wat de daadwerkelijke wetenschappelijke én maatschappelijke impact van diverse citizen scienceprojecten was. Het iconische gebogen zwaard van Heythuysen werd archeometrisch onderzocht door Dorien Westert (Universiteit Delft) die concludeerde dat het geen sterk bewijs vertoont voor buiging door brute kracht, maar hoogstwaarschijnlijk met behulp van vuur door een smid is verbogen. De tiende en laatste scriptie was van Mike van Venrooij (Universiteit Leiden) die gedetailleerd onderzoek deed naar 15e-eeuws aardewerk en daarmee een nieuwe en verhelderende blik wierp op de productie en ontwikkeling van lokaal aardewerk in deze periode.

Alle scripties zijn door de jury met veel plezier gelezen. De manuscripten waren van hoge kwaliteit en laten zien hoe zowel studenten als begeleiders de gebaande paden durven te verlaten om vernieuwende bijdragen te leveren aan de (Nederlandse) archeologie. De jury was dit jaar lang in beraad, maar koos uiteindelijk unaniem voor een scriptie die op alle fronten uitblonk. De winnaar van de W.A. van Es-prijs 2025 in de categorie beste archeologische scriptie van de afgelopen twee jaar is: Gwen Verhoeven!

In haar gedetailleerde en helder geschreven scriptie toont Verhoeven overtuigend aan dat los menselijk botmateriaal dat in de Nederlandse archeologie vaak te snel als ‘contextloos’ wordt beschouwd juist een rijke bron van informatie vormt. Door een sterk theoretisch kader te combineren met een degelijke empirische basis laat zij zien dat deze resten integraal onderdeel zijn van formele begrafenispraktijken. Daarmee biedt het onderzoek de Nederlandse archeologie waardevolle handvatten om deze tot nu toe onderbelichte vondstcategorie zichtbaar te maken.

Heiloo/Amsterdam 18 november 2025