Juryrapport W.A. van Es-prijs 2015. Winnaar Quentin Bourgeois, voor zijn proefschrift Monuments on the horizon : the formation of the barrow landscape throughout the 3rd and 2nd millennium BC.
Juryrapport
De W.A. van Esprijs is een stimuleringsprijs voor jong onderzoekstalent op het gebied van de Nederlandse archeologie. Aan de prijs, die jaarlijks tijdens de Reuvensdagen wordt uitgereikt, is een oorkonde verbonden en een geldbedrag van € 2000,-, beschikbaar gesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De W.A. van Esprijs wordt alternerend uitgereikt voor een proefschrift, een masterscriptie of een andere bijzondere studie op het gebied van de Nederlandse archeologie. Dit jaar is het de beurt aan een proefschrift.
Er zijn in totaal vier proefschriften genomineerd. Tot dit jaar werden voordrachten voor proefschriften uitsluitend gedaan door een promotor. De jury schreef daartoe alle hoogleraren met een leeropdracht op het gebied van de Nederlandse archeologie aan met het verzoek in aanmerking komende studies voor te dragen. In de praktijk betekende dit meestal dat een hoogleraar een voorselectie maakte en alleen het meest kansrijk geachte proefschrift instuurde. De ingezonden dissertaties waren dan ook doorgaans van hoog niveau. Deze uitvraag heeft ook nu weer plaatsgevonden en resulteerde in twee nominaties. Daarnaast is dit jaar echter ook een oproep geplaatst via de emaillijst van ArchWeb. Deze wijze van uitvraag is vorig jaar – toen de prijs werd uitgereikt voor een studie die buiten de academia tot stand was gekomen – voor het eerst beproefd. Interessant is dat de nieuwe aanvullende wervingswijze ertoe heeft geleid dat twee proefschriften door anderen dan de promotor onder de aandacht van de jury zijn gebracht. Op grond hiervan meent de jury, bestaande uit Stijn Arnoldussen, Ton Derks, Wim van Es, Annelou van Gijn, Roel Lauwerier en Johan Nicolay, dat de open werving ook voor de proefschriftenronde zijn nut bewezen heeft.
Voordat ik namens de jury de winnaar van de W.A. van Esprijs 2014 bekend maak, stel ik u eerst even kort de vier genomineerde proefschriften voor. In alfabetische volgorde van de auteurs:
Ann van Baelen schreef een proefschrift over de overgang van het Vroege naar het Midden-Paleolithicum in de periode van ca. 300.000 tot 250.000 jaar BP, waarbij zij een kritische analyse van de voor deze periode gangbare methodieken en concepten combineert met minutieus onderzoek van vuursteenbewerkingsprocessen. De kern van haar studie bestaat uit de uitwerking van de site Kesselt-Op de Schans, een vindplaats die slechts enkele tientallen meters ten westen van de Nederlands-Belgische grens ter hoogte van Maastricht is gelegen. Daarmee voldoet het proefschrift aan het criterium dat het betrekking heeft op – of directe relevantie heeft voor – de Nederlandse archeologie. Hoewel haar proefschrift niet aan een Nederlandse universiteit is verdedigd, was deze noviteit voor de jury geen reden haar studie van mededinging uit te sluiten.
Quentin Bourgeois schreef een proefschrift over het ontstaan, de ontwikkeling en de organisatie van prehistorische grafheuvelgroepen in Nederland. Hij onderzoekt drie micro-regio’s op de Veluwe en een in de Brabantse Kempen in detail. De auteur is er vooral op uit de lange-termijn genese van de grafheuvelgroepen te ontrafelen en te onderzoeken welke rol en betekenis reeds bestaande monumenten voor latere generaties bewoners van deze landschappen hadden.
Het proefschrift van Roos van Oosten beweegt zich op het breukvlak van geschiedenis en archeologie en behandelt het smakelijke thema van poep- en pisverwerking in de laat- en postmiddeleeuwse stad. Op basis van een gedegen archiefonderzoek en informatie uit archeologisch onderzoek van beerputten onderzoekt zij de samenhang tussen de opkomst en het verdwijnen van beerputten enerzijds en urbanisatie, mestbehoefte op het omringende platteland en de rol van stadsbestuurders als hoeders van het ‘gemeen oirbaer’, het algemeen belang van de stadsgemeenschap, anderzijds. Van grote betekenis voor de stadsarcheologie is haar conclusie dat beerputten veelvuldig werden geleegd en daarom niet als gesloten contexten kunnen worden beschouwd.
Mans Schepers, tenslotte, schreef een bijzonder proefschrift op het gebied van de ecologische archeologie, waarin een nieuwe methode wordt geïntroduceerd om de vegetatie van het landschap op en rond een archeologische vindplaats te reconstrueren. Schepers gaat verder dan de traditionele werkwijze om de soortenlijst van planten uit archeo-botanische monsters in ecologische groepen in te delen (waterplanten, akkeronkruiden etc) en stelt een plantensociologische benadering voor waarbij aan de hand van moderne vegetatieopnamen de kans wordt berekend dat in een archeobotanisch monster samen voorkomende soorten ook daadwerkelijk samen in de vegetatie coëxisteerden. Dit leidt tot een veel gedetailleerder beeld van de vegetatie en van de overgangen in vegetatiezones. Deze nieuwe methode, in zijn proefschrift toegepast op het neolithische krekenlandschap van de Swifterbantcultuur (4300-4000 v.Chr.) en het Noordnederlandse terpengebied, heeft de potentie een trendbreuk in het internationale archeobotanische onderzoek te weeg te brengen.
U ziet het. De vier nominaties vormen met twee prehistorische studies, een historischarcheologisch proefschrift en een methodisch proefschrift op het gebied van de ecologische archeologie een mooie oogst van het rijk geschakeerde academisch onderzoek. De diversiteit in disciplines en thema’s stelde de jury echter ook voor een lastige opgave. Voor elke genomineerde dissertatie kunnen wel redenen worden aangevoerd waarom deze in aanmerking zou komen voor de prijs. Na rijp beraad is de jury echter tot de slotsom gekomen dat de W.A. van Esprijs 2014 wordt uitgereikt aan Quentin Bourgeois voor zijn proefschrift Monuments on the horizon: the formation of the barrow landscape throughout the 3rd and 2nd millennium BC
.
Quentin Bourgeois schreef van de vier genomineerden het rijkste en meest doorwrochte proefschrift: een thematische verhandeling met een (1) expliciete en helder omschreven vraagstelling, (2) een goed daarop afgestemde methode, en (3) een goed vastgehouden betooglijn. Onderwerp van zijn proefschrift vormen de grafheuvelgroepen uit de Nederlandse prehistorie. Vanuit een benadering van het landschap als een palimpsest, waarin elke nieuwe generatie bewoners geconfronteerd wordt met het ingerichte landschap van eerdere generaties, stelt hij zich de vraag hoe bekende clusters van prehistorische grafheuvels, zoals die bij Ermelo en Toterfout- Halve Mijl, tot stand zijn gekomen. In welke perioden van de prehistorie werden nieuwe grafheuvels opgericht, hoe sloten deze aan bij de reeds bestaande monumenten en hoe gingen volgende generaties met de bestaande grafheuvels om? Hij komt tot de conclusie dat periodes met intensieve heuvelaanleg afgewisseld werden met perioden waarin dit zelden gebeurde, zoals in de in de Vroege Bronstijd. Op de vraag waarom de nieuwe heuvels bij voorkeur in de nabijheid van oudere grafmonumenten werden aangelegd, moet ook Quentin Bourgeois het antwoord grotendeels schuldig blijven. Desondanks biedt dit proefschrift door zijn kritische GIS-analyses ten aanzien van heuvels en zichtpatronen, maar bovenal door de herziening van alle beschikbare C14- dateringen en het daaruit afgeleide nieuwe typo-chronologische raamwerk, een prijzenswaardige en blijvende bijdrage aan de Nederlandse archeologie.