In Nederland zijn ruim 3200 bronzen (geregistreerde) voorwerpen uit de bronstijd bekend. Het zijn archeologische vondsten van zwaard tot bijl, en van armband tot mantelspeld. Van veel van die vondsten, soms wel tot 4000 jaar oud, weten we niet waar het materiaal vandaan komt. Een nieuw onderzoeksproject brengt daar nu verandering in. In een serie blogs neemt het team ons mee in hun onderzoek. Ditmaal staat de categorie speerpunten centraal. In totaal hebben we 23 exemplaren onderzocht, waarvan vijf van het type Tréboul. Die zijn in Bretagne gegoten, maar gemaakt van kopererts uit een heel andere hoek.

Speerpunten zijn er in overvloed in Nederland. Meer dan 600 zijn er inmiddels geregistreerd in de database the Netherlands Bronze Age Catalogue. Ondanks dat het er zoveel zijn, is het toch lastig om er iets zinnigs over te zeggen: de meeste zijn onversierd, hebben dezelfde vorm en geen andere kenmerken om verschillende groepen te onderscheiden, op één type na. Dat is het speerpunttype Tréboul, vernoemd naar een bronsdepot dat in 1948 is ontdekt in Tréboul-Douarnenez, in Bretagne. Speerpunten van dit type vallen op door de ribben op het blad, onregelmatige nietgaten en omdat ze vaak versierd zijn met groeflijnen of rijen punten. Van dit type weten we ook vrij precies de ouderdom; ze zijn tussen 1575 en 1425 voor Chr. gemaakt.

Beeld: © Hannie Steegstra

Tréboul-speerpunten hebben ribben op het blad (1), de smalle, holle schachtkoker stopt voor de punt en loopt in een smalle ribbel door naar boven (2), de nietgaten zijn onregelmatig van vorm (3) en de onderzijde (soms ook de bladen) is vaak versierd (4).

Bronstijdwapens

Speren zijn effectieve stootwapens, om een aanvaller op afstand te houden of om ermee te gooien. Hoewel speren ook voor de jacht gebruikt kunnen zijn, bijvoorbeeld op everzwijnen, wordt in het algemeen aangenomen dat ze vooral als strijdwapens dienden. Een aangrijpend voorbeeld is de slag in het dal van Tollense, in Noordoost-Duitsland, die daar in de 13de eeuw voor Chr. plaatsvond. Onder water, over een afstand van meer dan 2,5 kilometer, zijn overblijfselen gevonden van meer dan 130 jonge mannen. Naast de botresten lagen de bijbehorende wapens, voornamelijk pijlpunten van vuursteen, speerpunten van brons en houten knotsen.

Beeld: © RAAP

RAAP-Medewerkers ontdekten in 2015 deze 26,6 cm lange Tréboul-speerpunt, tijdens archeologisch onderzoek in het beekdal van de Aa bij Berlicum.

Gewoon en eenvoudig

De meeste in Nederland gevonden speerpunten zijn van het type ‘gewoon en eenvoudig’. Meer dan 230 exemplaren hebben in de koker aan weerszijden twee gaten waarin een pin zat om de speerpunt aan de houten stok klemvast te zetten. We namen altijd al aan dat deze borgpinnen van hout waren, maar tot 2020 ontbrak bewijs daarvoor.

fotocollage van details van een speerpunt en houtresten

Beeld: © GIA, RUG

De speerpunt van Benschop bevatte een piepklein houten pennetje waarmee de punt aan de stok was bevestigd. Die stok bleek van essenhout en afkomstig uit de periode 1422-1286 voor Chr. Het pennetje is van meidoorn of wilde appel.

Pas toen is het allereerste houten speerpuntpinnetje van Nederland ontdekt, in de speerpunt van Benschop. Heel soms is nog een stukje hout van de stok in de schacht bewaard. Door dat te onderzoeken is het mogelijk de houtsoort en de ouderdom te bepalen. Vaak is dat hout van hazelaar of es. Koolstof14-analyse van het hout kan uitwijzen in welke eeuwen de speerpunt thuishoort. Dat is heel welkom omdat speerpunten eeuwenlang, van 1675 tot 775 voor Chr., dezelfde basisvorm hadden. Niet alleen in Nederland, maar in heel Noordwest-Europa. Het wordt daarom ook wel het algemene West-Europese type genoemd. 

Beeld: © Stijn Arnoldussen GIA, RUG

De verspreiding van Tréboul-speerpunten in Nederland, Noordwest-Frankrijk, België en Zuid-Engeland.

Het gewone en Tréboul-type

Loodisotopenanalyse van de 23  speerpunten laten verschillende bronsgroepen zien. In de 18 stuks van het ‘gewone’ type, zijn twee groepen: eentje waarbij Italiaans kopererts is gebruikt, vaak in een mix, en een groep waarbij zoveel lood is toegevoegd dat het koperertssignaal niet meer te achterhalen is. Wel is duidelijk dat Brits lood aan de bronslegering is toegevoegd. De Tréboul-types zijn niet gemaakt van gemengd brons of met toegevoegd lood. Omdat Tréboul-speerpunten vooral in Bretagne veel zijn gevonden, gaan archeologen ervan uit dat ze daar ook altijd gemaakt zijn. Ook van de vijf exemplaren uit ons onderzoek denken we dat het importstukken van Bretonse makelij zijn.

De 5 onderzochte Tréboul-speerpunten. Loodisotopen wijzen op twee verschillende mijnregio’s, in Wales en Oostenrijk.

Verrassend was dan ook toen bleek dat er zeer verschillend kopererts voor deze speerpunten is gebruikt. De grootste, in 2015 gevonden bij Berlicum, blijkt gemaakt van kopererts uit de Mitterberg-mijn in Oostenrijk, net als de speerpunt uit in het Noord-Hollandse Twisk. De andere drie hebben een andere loodisotoopverhouding: de speerpunten van Witharen (bij Ommen), Mierlo en Goor blijken gemaakt van kopererts uit uit de Great Orme-mijnen in Wales. De bronstijdsamenlevingen in Bretagne moeten hoe dan ook contacten en interacties hebben gehad met de exploitanten in Oostenrijk en Wales.

De herkomst van het kopererts vertelt dat de Bretonse makers van de Tréboul-speerpunten contacten hadden met de mijnregio’s van Wales en Oostenrijk.

Deze blog is geschreven door Liesbeth Theunissen (RCE), en van feedback voorzien door Stijn Arnoldussen, teamlid én groot fan van Tréboul-speerpunten. De blog is onderdeel van de serie #loodisotopenprojectbronstijd.