In Nederland zijn ruim 3200 bronzen (geregistreerde) voorwerpen uit de bronstijd bekend. Het zijn archeologische vondsten van zwaard tot bijl, en van armband tot mantelspeld. Van veel van die vondsten, soms wel tot 4000 jaar oud, weten we niet waar het materiaal vandaan komt. Een nieuw onderzoeksproject brengt daar nu verandering in. In een serie blogs neemt het team ons mee in hun onderzoek. Ditmaal duiken we een Drents beekdal in, waar in 2013 een bijzondere dolkkling is gevonden.
De afgelopen maanden stonden in het teken van het zetten van de laatste puntjes op de i. De tekst van al deze i’s is het grote overzichtsartikel waarin resultaten en conclusies uit het loodisotopenproject zijn samengebald. In april is het ingediend bij een gerenommeerd wetenschappelijk tijdschrift. Heel spannend dus wat de referenten van ons artikel zullen vinden! Een van de ruim 200 figuranten in het artikel is de dolkkling die amateurarcheoloog Erwin Suurd vond bij Donderen.
In 2013 vond Erwin Suurd uit Peize met de metaaldetector een groot stuk brons, dat een ruim 17 cm lange dolkkling bleek te zijn. Hij vond deze op een plek waar een aardgastransportleiding werd aangelegd Het handvat, gemaakt van hout of been, was met zes bronzen nieten aan de kling bevestigd. Deze staafjes laten ook geen slijtage zien. Ze zijn net als het dolkblad in perfecte staat: in mint condition zoals de Engelsen dat zo mooi zeggen
De biografie van een voorwerp
Archeologen die voorwerpen onderzoeken zijn meestal specialisten op het gebied van materialen, zoals hout, gewei, steen of brons. Ze kijken vaak naar de biografie van een object: wanneer en hoe het gemaakt is, zou je de geboortefase kunnen noemen. Hoe – en hoe lang – het gebruikt is, de levensloop, met zorgvuldig uitgevoerde reparaties als een uiting van zorg. Het levensverhaal eindigt wanneer het voorwerp is weggegooid of vernietigd. De uitkomsten van ons project geven aanwijzingen voor het allereerste begin, namelijk uit welke regio het kopererts komt. We zouden het de ‘bevruchtingsfase’ kunnen noemen. Het moment van ontdekking is een ander voorbeeld van een cruciale fase in het levensverhaal van een voorwerp. Als het eenmaal in een museumvitrine is tentoongesteld, spreek je dan van een tweede leven? Of misschien wel van het eeuwige leven?
Beeld: © RUG
Dolken die Van Giffen in grafheuvel ‘La Motte aantrof, hebben een duidelijk tongetje aan de bovenzijde, een languette.
Geboorte
De biografie van de dolk van Donderen begint waarschijnlijk op het Iberisch Schiereiland, in het huidige Spanje en Portugal. De loodisotoopverhoudingen geven namelijk aan dat daar het kopererts vandaan komt. Het gewonnen koper is – vermoedelijk als baar – naar Noordwest-Frankrijk getransporteerd. Of dat rechtstreeks ging of van hand-tot-hand, en over land, of per boot de kustlijn volgend, is giswerk. Daar in Bretagne of in Zuid-Engeland is de dolk omstreeks 2000 voor Chr. gemaakt, zo vermoeden we op basis van de vorm en versiering.
Beeld: © GPRMN-MAN
Ze lagen in een steenkist, een kamertje gebouwd van platte stenen. Naast de dolken vond Van Giffen ook bijlen, vuurstenen pijlpunten, een slijpsteen en een heel bijzondere polsbeschermer bedekt met bladgoud
Het type is vooral uit die streken bekend en noemen we ook wel ‘Atlantisch’. Daarmee bedoelen we de kuststreken van Spanje, Frankrijk en Zuid-Engeland. De dolk van Donderen lijkt veel op de Zuid-Engelse exemplaren. Ook die hebben een plat blad met een lensvormige doorsnede en groeflijnen die heel dicht tegen de scherpe randen liggen. Aan de overkant, in Bretagne, kennen we ze ook, maar dan zit er aan de bovenkant vaak een kleine tong, een languette. Albert Egges van Giffen, een van Nederlands beroemdste archeologen, vond in 1939 in de buurt van Lannion aan de Bretonse kust een serie van dit soort dolken, met en zonder tongetje. Het is mogelijk dat er ergens in Bretagne een werkplaats was waar bronsgieters het maken van dit type dolk 100% in de vingers hadden.
Levensreis
Voor de Donderse dolk gaan we er even vanuit dat de Bretonse smid ‘m als gloednieuw voorwerp van de hand deed, glimmend als goud en voorzien van een houten of benen handvat. Over de verdere levensloop is weinig te vertellen. Goed beschouwd lijkt de dolk niet gebruikt te zijn. Daarvoor zijn de randen nog te scherp. Een hoek van de bovenzijde is verdwenen en daarmee ook twee van de zes nieten, maar dit kan ook later zijn gebeurd. Ook de route van uitwisseling, over land of over zee, is ongewis. Zeker is dat uitwisseling van voorwerpen of grondstoffen al ver vóór de bronstijd gebeurde. Al vroeg in de steentijd waren er netwerken waarin bijvoorbeeld vuursteen, goud, zout of oker (rode kleurstof) van eigenaar wisselde. Dit systeem waarin gemeenschappen goederen met elkaar ruilen en aan elkaar doorgeven heet ook wel down-the-line-uitwisseling. Op die manier verplaatsten voorwerpen zich over duizenden kilometers. Zo ook van Bretagne naar Drenthe.
Beeld: © Jaap Beuker
Einde, of toch niet?
De Grote Masloot, een beek, even ten westen van het Drentse Donderen, zou je in eerste instantie kunnen beschouwen als de plek van het levenseinde van de dolk. Dat was de plek die de laatste eigenaar uitkoos om de dolk achter te laten. Een nat beekdal, dat was voor de bronstijdmensen destijds volkomen logisch. Voor de archeologen van nu is het lastiger te begrijpen, want waarom zou je afstand doen van zo’n mooie dolk, waarvoor je veel moeite hebt gedaan om die in handen te krijgen?
Beeld: © AHN
Het dal van de Grote Masloot ten westen van Donderen op het Actueel Hoogebestand Nederland. De hoge zandruggen zijn geel en oranje en de beekdalen groen en blauw. De rode driehoek geeft de vindplaats aan. Dat is misschien wel de zone waar het dal makkelijk was over te steken, een voorde
Maar als je probeert te denken als de mensen van toen, en je ziet de dolk als een communicatiemiddel, een offer of een geschenk aan een andere wereld, dan wordt het een stuk begrijpelijker. Veel meer mensen deden dit, niet alleen in de bronstijd maar ook veel eerder. De wortels van wat we ‘deponeringstraditie’ noemen, gaan in Drenthe zelfs terug tot het 5de millennium voor Chr. Een ongebruikte en geheel intacte dolk als gift is niet echt op te vatten als een levenseinde van het voorwerp. Eerder juist als het begin van een nieuwe levensloop bij een nieuwe eigenaar. Wel waarschijnlijk een onzichtbare: een voorouder, watergeest of andere oerkracht die cruciaal was in het bronstijdgeloof.
Deze blog is geschreven door Liesbeth Theunissen (RCE), en van feedback voorzien door Wijnand van der Sanden die al eerder een artikel schreef over deze dolk. De blog is onderdeel van de serie #loodisotopenprojectbronstijd.