1. Meijer Elte antiquariaat, Korte Poten 13

De Joodse boekhandelaar Meijer Elte (1877-1937) opende in 1899 een antiquariaat aan de Korte Poten. Dit internationaal bekende antiquariaat specialiseerde zich in rijk geïllustreerde en waardevolle werken gepubliceerd tussen de vroege zeventiende en vroege negentiende eeuw. Zoons Max en Joseph kwamen omstreeks 1929 bij hun vader in de zaak werken en zetten de zaak voort na zijn dood. Tijdens de bezetting kwam het antiquariaat onder beheer van de nazi’s en werd er een Verwalter aangesteld, een soort zaakwaarnemer, die alle handel overnam. De boekhandel deed tijdens de oorlogsjaren ook zaken met Duitse klanten maar het is onduidelijk of deze handel vrijwillig plaatsvond. Veel van de voorraad is in de tijd van de bezetting verloren gegaan en is tot op de dag van vandaag nog zoek. Joseph Elte werd vermoord in Auschwitz; Max Elte wist onder te duiken en overleefde zo de oorlog.

Objecten van Elte in de NK-collectie zijn op de WO2-portal te vinden.

Beeld: Foto rechts: Holland Souvenirs, Den Haag

Meijer Elte Antiquariaat - toen en nu

2. Hoofdkantoor rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, Plein 23

Het achttiende-eeuwse Logement van Amsterdam heeft door de eeuwen heen verschillende overheidsinstanties gehuisvest. Een van de meest opzienbarende is misschien wel het kantoor van de door Hitler aangestelde rijkscommissaris over bezet Nederland, Arthur Seyss-Inquart (1892-1946). De Oostenrijkse jurist en politicus werd in de volksmond ook wel spottend ‘zes-en-een-kwart’ genoemd, als verwijzing naar zijn achternaam. Als stille verzetsuiting werd zelfs een sigarettendovertje gemaakt uit Nederlands muntgeld: van één cent, vijf cent en een (verzaagde) kwart cent – samen zes en een kwart. Aanvankelijk probeerde Seyss-Inquart de Nederlandse bevolking met zachte hand voor zich te winnen, maar na de Februaristaking in 1941 werd zijn regime steeds grimmiger. Na de bevrijding trof men diverse kunstvoorwerpen en meubels aan in zijn kantoorgebouw, waarvan de herkomstgeschiedenis in de meeste gevallen moeilijk traceerbaar bleek. Seyss-Inquart werd in 1946 in Neurenberg berecht en ter dood veroordeeld.

Dit wandtapijt (NK3479, 1700-1725) behoort tot 'Door de Duitsers achtergelaten goederen en kunstvoorwerpen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken'. In het gebouw van het ministerie was tijdens de oorlog het kantoor van Seyss-Inquart gevestigd.

Beeld: Haags Gemeentearchief en Eva Osinga-Dubbelboer

Seys Inquart gebouw toen en nu

3. Erhard Göpel, Lange Houtstraat 19

Het naziregime stelde prominente kunsthistorici aan om te helpen bij de aankoop van kunstwerken uit de door Duitsland bezette gebieden. De Duitse kunsthistoricus Erhard Göpel (1906-1966) werkte tussen mei 1942 en september 1944 als kunstinkoper voor Hitlers nog te realiseren Führermuseum in Linz. Göpel was eerder de assistent van de bekende verzamelaar Frits Lugt, door wie hij beschikte over een grote internationale klantenkring waar ook veel Joodse kunstenaars onderdeel van uitmaakten. Het kwam goed van pas dat hij jarenlang in Nederland had verbleven en de taal sprak. Voor het Führermuseum moest Göpel zorgen voor de inkoop van de zeer gewilde Hollandse Meesters. Hij vestigde zijn kantoor aan de Lange Houtstraat van waaruit hij zijn zaken behartigde. Göpel verhandelde vele honderden schilderijen uit Nederland, België en Frankrijk, waarvan een groot deel een verdachte herkomst had. Om aan de gewilde stukken te komen of om waardevolle informatie los te krijgen, stelde Göpel de Joodse kunstbezitters soms ook een uitreisvisum in het vooruitzicht, of bood hij hen bescherming tegen anti-Joodse maatregelen.

De selectie voor het Führermuseum bestond voor een groot deel uit schilderijen, maar ook deze marmeren portretbuste (marmeren portretbuste (NK141, 1790-1799) van Antonio Canova, en misschien en Pompeo Marchesi, zat erbij.

Beeld: Haags Gemeentearchief en Monumentenzorg Den Haag, J. Vrolijk, 1999

Kantoor van Göpel toen en nu

4. Veilinghuis Van Marle en Bignell, Lange Voorhout 58

De in beslag genomen bezittingen van Joden in Nederland, waaronder hun kostbare huisraad en schilderijen, maakten de Duitsers onder andere via kunstveilingen te gelde. Vanaf 1919 was aan de Lange Voorhout het veilinghuis Van Marle en Bignell gevestigd, opgericht door Ludwig van Marle en Charles Bignell. Tijdens de oorlog deed kunsthandelaar Charles Bignell (1890-1957) – Van Marle was in 1929 al overleden – intensief zaken met de bezetter en wist zich op die manier flink te verrijken. Bijna alle verkoop van Haagse Joodse inboedels vond plaats bij Van Marle en Bignell, waarvoor Bignell een provisie van dertig procent kreeg. Na de bevrijding veroordeelde het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag hem tot een gevangenisstraf van twee jaar en een levenslange ontzegging van het kiesrecht. Hij voerde tijdens de verhoren nog aan dat hij onder zware druk van de Duitsers moest handelen, om zodoende aan ernstige represailles te ontkomen. Niets bleek minder waar. In werkelijkheid had Bignell zijn veilighuis actief onder de aandacht van de Duitsers gebracht. Hoewel het Bignell vijf jaar lang werd verboden om in de kunstwereld te werken, pakte hij zijn handel daarna weer met succes op.

Alle NK-objecten van Van Marle & Bignell zijn te vinden op de WO2-portal.

  1. Veilinghuis Van Marle en Bignell verleden
  2. ... en heden

5. Kunsthandel Firma D. Katz, Lange Voorhout 35

Ook Joodse kunsthandelaars deden zaken met de Duitse bezetter. Na de oorlog was het soms moeilijk vast te stellen in hoeverre er sprake is geweest van echte dwang. Neem bijvoorbeeld de Joodse familie Katz wier kunsthandel, oorspronkelijk gevestigd in Dieren, nationaal en internationaal veel aanzien genoot. De broers Nathan en Benjamin Katz handelden tijdens de oorlogsjaren veelvuldig met de Duitsers. Zoals met Hans Posse, die was belast met de inrichting van het geplande Führermuseum in Linz. De gebroeders Katz handelden ook met vertegenwoordigers van Adolf Hitler en nazikopstuk Hermann Göring en met de Duitse kunsthandelaar Alois Miedl.

De nazi’s beschouwden de kunsthandel Katz als een van hun belangrijkste contacten op de Nederlandse kunstmarkt. Ook zetten zij de broers vaak in als tussenpersoon om kunstwerken te verwerven bij personen die niet direct wilden handelen met de bezetter, maar die wel bereid waren om te verkopen aan een Joodse kunsthandelaar. Het lijkt erop dat de familie in ruil hiervoor werd beschermd tegen anti-Joodse maatregelen. Het lukte hen in 1942 om een uitreisvisum te bemachtigen, in ruil waarvoor zij aan rijksmaarschalk Hermann Göring een schilderij van Rembrandt afstonden: 'Portret van Dirk Jansz. Pesser' (1634). Deze transactie heeft het leven van vijfentwintig mensen gespaard.

Veel werken uit de collectie van Katz zijn na de oorlog in de Oostenrijkse zoutmijnen aangetroffen. In 2007 hebben de erven van de familie een claim ingediend op 189 schilderijen, die op dat moment in de rijkscollectie zaten en in bruikleen waren bij diverse Nederlandse musea en overheidsinstellingen. In 2012 oordeelde de restitutiecommissie dat er onvoldoende bewijs was voor gedwongen verkoop. Eén werk, 'Man met hoge baret' van Ferdinand Bol, kwam terug in handen van de nabestaanden van Nathan en Benjamin.

Restitutiecommissie advies 2009, advies 2012, advies 2017-1 en 2017-2.

  1. Gebouw van Kunsthandel Firma D. Katz toen
  2. ... en nu

6. Maison de Bonneterie, Gravenstraat 4

Zakenman Alfred Cohen en zijn neef Max Cohen runden sinds 1921 het modewarenhuis a, waarvan het eerste filiaal in 1895 werd geopend door hun oom en tante. De nieuwe locatie aan de Gravenstraat was ontworpen door de architect Alphons Jacot. Tijdens de oorlog legde de Duitse bezetter beslag op het gebouw en de inboedel. De Maison de Bonneterie kwam onder beheer van een Duitse Verwalter of zaakwaarnemer die Alfred en Max verbood de zaak nog langer te betreden. Hij ontsloeg vervolgens al het Joodse personeel; velen van hen werden vermoord in de concentratiekampen. De familie Cohen kreeg in 1942 toestemming van de Duitsers om Nederland te verlaten, in ruil voor de waardevolle schilderijencollectie van Alfred. Ondertussen roofden de Duitsers het warenhuis leeg. De Cohens vestigden zich uiteindelijk in Amerika. Een deel van de werken uit Alfreds verzameling is tot op heden nog vermist.

Alle aangifteformulieren van de vermiste werken van Cohen zijn te vinden op de WO2-portal.

  1. Maison de Bonneterie in het verleden
  2. ... en in het heden

7. Juwelier Schaap en Citroen, Plaats 2

De Joodse families Schaap en Citroen zijn al meer dan 130 jaar een nationaal begrip binnen de juwelen- en horlogebranche. Beide families openden in de negentiende eeuw verschillende juwelierszaken in onder andere Amsterdam, Den Haag en Utrecht voordat zij halverwege de twintigste eeuw fuseerden. De oudste zoon van oprichter Mozes Schaap, Joël Schaap, opende in 1921 een juwelierszaak aan het Noordeinde in Den Haag. Kort na het uitbreken van de oorlog beroofde Joël Schaap zich van het leven. De niet-Joodse directeur Willem Hogervorst nam vanaf dat moment de zaak over. Abraham Citroen heeft kunstwerken gedwongen ingeleverd bij de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co.

Alle NK-objecten en aangifteformulieren van de families Schaap en Citroen zijn te vinden op de WO2-portal.

  1. Gebouw van Schaap en Citroen toen
  2. ... en nu

8. Antiekhandel S. van Leeuwen, Noordeinde 164

Salomon van Leeuwen dreef sinds 1914 een antiekhandel aan het Noordeinde. Nadat de Duitse bezetter in 1941 de ‘Verordening tot de verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven’ uitvaardigde, kwam ook de onderneming van Van Leeuwen onder beheer van een Verwalter. De Nederlandse koopman J.A. Koppelle verhandelde als nieuwe zaakwaarnemer diverse objecten aan de Duitsers. Van Leeuwen mocht zijn eigen zaak niet langer betreden en verloor bovendien van de ene op de andere dag zijn inkomen. Samen met zijn gezin dook hij onder en overleefde zodoende de oorlog. Door het bedrijf in 1944 te schenken aan zijn niet als Joods aangemerkte dochter en kleinzoon kon het Duitse beheer over de kunsthandel worden opgeheven. Zo kon de onderneming toch nog eigendom blijven van de familie Van Leeuwen.

Een van de kunstobjecten uit de collectie van Van Leeuwen is een zeventiende-eeuwse beukenhouten kist (NK3201, 1600-1699), ingelegd met een bloemmotief. Verwalter Koppelle verkocht de kist in 1944 aan een Duitser, maar na de oorlog is de kist teruggekeerd naar Nederland. Omdat Van Leeuwen vanuit zijn onderduikadres niet kon hebben meegewerkt aan de verkoop, oordeelde de restitutiecommissie dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies als direct gevolg van het naziregime. In 2012 volgde het advies om deze kist terug te geven aan de erfgenamen van Van Leeuwen.

Beeld: Haags Gemeentearchief (fotograaf onbekend) en Ben Bender, onder de GNU-licentie voor vrije documentatie

De winkel van Van Leeuwen toen en nu en het NK-object

9. Vrijmetselarij Museum, Javastraat 2b

De vrijmetselarij, door de nazi’s vaak gekoppeld aan het jodendom, vormde in hun ogen een grote bedreiging. In Nederland werd de besloten vereniging dan ook direct in 1940 ontbonden en verboden. De bezetter nam alle bezittingen in beslag en vernietigde de archieven, waardoor de tientallen loges in Nederland vrijwel al hun waardevolle eigendommen verloren. De directie en leden werden opgepakt en gevangengezet; vermoedelijk kwamen er tijdens de oorlog duizenden vrijmetselaren in Europa om het leven. Bij de waardevolle objecten die na de oorlog zijn teruggehaald uit onder andere Duitsland zaten hoogstwaarschijnlijk ook bezittingen afkomstig van de vrijmetselaarsloges. Het werkelijke aantal is tot op heden onbekend.

In september 2025 adviseerde de Restitutiecommissie de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de restitutie van 'Fruitstilleven' (NK2856) door de zeventiende-eeuwse schilder Johannes Bosschaert aan de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.

  1. Vrijmetselarijmuseum toen
  2. ... en nu

10. Bachstitz Gallery, Surinamestraat 11

Een andere Joodse kunsthandelaar die tijdens de oorlog zaken deed met de Duitsers was Kurt Walter Bachstitz (1882-1949), die in 1920 zijn internationaal bekende Bachstitz Gallery opende aan de Surinamestraat. Bachstitz verhandelde in de beginjaren van de oorlog vele schilderijen aan de bezetter, met name aan de persoonlijke kunstinkoper van Adolf Hitler, Hans Posse, maar ook aan Erhard Göpel. In 1941 stelde hij zijn niet-Joodse echtgenote aan als directrice van de kunsthandel. Een tactiek die bekend staat als ‘arisering’ en waarmee hij kon voorkomen dat de Bachstitz Gallery onder gedwongen beheer van de nazi’s kwam te staan.

De kunsthandelaar had echter ook een aantal persoonlijke en zakelijke connecties die hem bescherming boden. Hij was getrouwd met de zus van Walter Andreas Hofer, de latere kunstinkoper van rijksmaarschalk Hermann Göring, en had als kunstleverancier een belangrijk netwerk. Bachstitz was bijvoorbeeld vrijgesteld van de plicht een Jodenster te dragen omdat hij actief bijdroeg aan het door Hitler op te richten Führermuseum te Linz. In 1944 werd het hem toch te heet onder de voeten en vertrok hij naar Zwitserland, in ruil voor drie kunstobjecten die hij kosteloos aan Göring moest afstaan.

Alle NK-objecten en aangifteformulieren van de Bachstitz Gallery zijn te vinden op de WO2-portal.

  1. Bachstitz Gallery toen
  2. .. en het gebouw nu

11. Dienststelle Mühlmann, Sophialaan 11

Een van de organisaties die een grote rol speelden bij de kunstroof in de Tweede Wereldoorlog was de Dientstelle Mühlmann, gevestigd aan de Sophialaan. Dit bureau stond onder leiding van de Oostenrijkse kunsthistoricus en SS-officier Kajetan Mühlmann (1898-1958), aangesteld door rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart. Mühlmann maakte zich op zeer grote schaal schuldig aan de confiscatie en roof van cultuurgoederen. Zijn bureau, dat het mogelijk maakte om kunstroof op een systematische manier aan te pakken, handelde op de vrije kunstmarkt maar zette ook actief Joodse eigenaren onder druk.

Mühlmann had een groot netwerk van collaborateurs, informanten, kunstkenners en veilinghuizen die hem hielpen bij zijn roofpraktijken en hem in staat stelden een indrukwekkende collectie te vergaren. Deze werken waren vooral bestemd voor de persoonlijke verzameling van rijksmaarschalk Hermann Göring en voor het toekomstige Führermuseum in Linz, Oostenrijk. Mühlmann werd in 1945 gearresteerd maar wist een paar jaar later te vluchtten. Vanaf dat moment betaalde hij zijn levensonderhoud voornamelijk uit de verkoop van achtergehouden kunstwerken.

Alle NK-objecten van Dienststelle Mühlmann zijn hier te vinden op de WO2-portal.

  1. Dienststelle Mühlmann toen
  2. ... en nu