Een wandeling door Amsterdam
1. Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro), Sarphatistraat 47-55
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Joodse bevolking in Nederland op diverse manieren onteigend van haar bezit. In augustus 1941 dwong de Duitse bezetter hen, op basis van de Eerste Liro-Verordening, al hun geld onder te brengen bij de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro), gevestigd aan de Sarphatistraat. De Liro was een door de Duitsers opgezette roofinstantie die zij onschuldig presenteerden als filiaal van de gelijknamige Joodse bankiersfirma gelegen aan de Nieuwe Spiegelstraat.
De nazi’s maakten slim gebruik van de goede reputatie van de oorspronkelijke Lippmann Rosenthal Bank en voorkwamen op deze manier al te grote argwaan over zijn praktijken. Binnen een jaar tijd, in mei 1942, breidde de Liro de inleverplicht voor Joden uit. Onder de voorwaarden van de Tweede Liro-Verordening moesten zij nu ook andere waardevolle bezittingen afstaan. Zo kwamen vele kunstvoorwerpen in handen van de bezetter, alsmede kostbare voorwerpen van goud, platina of zilver en bijvoorbeeld edelstenen en parels. De Liro was zodoende een belangrijke schakel in het verlies van erfgoed van Joden.

Lippmann, Rosenthal & Co, maart 1944 
Hetzelfde pand nu
2. Abraham Puls, Kerkstraat 303-305
De geboren Amsterdammer Abraham Puls (1902-1975) was eigenaar van een verhuis- en transportbedrijf, gevestigd aan de Kerkstraat waar hij ook woonde. In 1935 werd Puls lid van de Nationaal Socialistische Beweging in Nederland. Tijdens de oorlog gaf de bezetter hem de opdracht om de inboedels van gevluchtte en gedeporteerde Joden op te halen. Hij leverde deze af bij het pakhuis Argentinië op de Oostelijke Handelskade. Het bedrijf reed met veertien vrachtwagens rond om de in beslag genomen spullen te vervoeren. In de volksmond ontstond al snel het begrip ‘pulsen’.
De nazi’s vervoerden de huisraad vervolgens met vrachtschepen naar Duitsland waar zij de Joodse eigendommen verdeelden onder Duitsers die hun inboedel door bombardementen waren verloren. Ze noemden het 'Liebesgaben', of geschenkpakketten. Puls en zijn handlangers profiteerden flink van deze praktijken. Na zijn arrestatie op 7 mei 1945 trof men bij zijn huis een vrachtwagen vol gestolen goederen aan. In Puls’ geldkist zat ruim 19.000 gulden aan contanten en uit zijn bankrekening bleek dat zijn vermogen tussen 1942 en 1945 was toegenomen van 35.000 naar wel 300.000 gulden.

Het voormalige pand van Firma Puls, 17 oktober 1958 
... en de locatie nu 
Een vrachtwagen van de firma Puls
3. Abraham Puls’ politiebureau, Ceintuurbaan 366 hs
Joodse gezinnen die tijdens de oorlog vluchtten naar een onderduikadres, lieten hun woning noodgedwongen achter. Zo ook Abraham Pais en zijn vrouw Schoontje Koopman met hun vier kinderen. Na hun vertrek kreeg ondernemer Abraham Puls, wiens verhuisbedrijf in opdracht van de Duitsers Joodse huizen leeghaalde, het pand aan de Ceintuurbaan toegewezen. Puls vestigde er vanaf 1942 een privaat politiebureau in, waar een team van rechercheurs zich bezighield met de onteigening van Joodse bezittingen.
Historicus Loe de Jong heeft berekend dat Puls de inboedels van zo’n 29.000 Joodse woningen in Amsterdam, het Gooi en omgeving in beslag heeft genomen, inclusief het Achterhuis waar Anne Frank en de andere onderduikers op 4 augustus 1944 werden opgepakt. De werknemers van het politiebureau plunderden niet alleen huizen, maar ‘jaagden’ ook actief op onderduikers op basis van tips die binnenkwamen op de Ceintuurbaan. Ze ontvingen hier een vergoeding van 2,50 gulden per dag voor. Naar schatting heeft de firma A. Puls vanuit dit pand de arrestatie van zo’n vijftig Joden verricht.

Abraham Puls aan de Centuurbaan toen 
... en het gebouw nu
4. Bibliotheek Ets Haim - Livraria Montezinos, Portugese Synagoge, Mr. Visserplein 3
De Portugese Synagoge in Amsterdam huisvest de oudste nog functionerende Joodse bibliotheek ter wereld. Ets Haim - Livraria Montezinos werd in 1616 opgericht als seminarium voor de opleiding van geestelijken. De collectie van de bibliotheek bestaat uit 560 handschriften en 30.000 gedrukte werken, die samen een rijke verzameling vormen op het gebied van natuurwetenschap, geschiedenis, muziek, proza, poëzie en grammatica uit de zeventiende en achttiende eeuw. Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen de Duitsers een groot deel van de collectie in beslag. In 1946 keerde de verzameling terug naar Nederland, zij het met enige schade.
In de decennia na de oorlog ontbraken de financiële middelen om zowel de collectie als het gebouw te onderhouden. In 1978 besloten de regenten van Ets Haim zelfs om de kostbare kerncollectie onder te brengen bij de Jewish National and University Library in Jeruzalem. Twintig jaar later zijn de collecties van Ets Haim op de lijst van de Wet tot behoud van cultuurbezit geplaatst en zo officieel erkend als waardevol cultureel erfgoed. Na een grondige renovatie tussen 1998 en 2000 kon, mede gefinancierd door de overheid en diverse fondsen, een deel van de collectie van Ets Haim terugkeren naar Amsterdam.

Synagoge in het verleden 
... en heden
5. Kunsthandel Goudstikker/Miedl, Herengracht 458
De Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940) hield sinds 1927 kantoor aan de Herengracht. Goudstikkers onderneming was één van de grootste kunsthandels in de eerste helft van de twintigste eeuw in Nederland. Hij handelde onder andere in werken van Hollandse Meesters waar de Duitse bezetter grote interesse in had. Het hele pand aan de Herengracht had hij ingericht als galerie, met een gotische, Italiaanse én oud-Hollandse stijlkamer.
Na de inval van de Duitsers in 1940 vluchtte Goudstikker met zijn vrouw en kind naar Engeland. Door een ongelukkige val in het vrachtruim van het schip kwam hij om het leven. Na zijn dood viel zijn handelsvoorraad in handen van bankier en kunsthandelaar Alois Miedl (1903-1970), vriend van nazikopstuk Hermann Göring. Die laatste nam een groot deel van Goudstikkers handelsverzameling voor een zacht prijsje over; de twee miljoen gulden die hij ervoor neertelde lag ver onder de marktwaarde. Miedl bleef de rest van de oorlog kunst verhandelen aan de Duitsers. Zijn inventarisboeken en handelsbronnen vormen een waardevol aanknopingspunt bij het herkomstonderzoek naar geroofd kunstbezit.
Alle NK-objecten van Goudstikker zijn te vinden in de WO2-portal.

Gebouw van Kunsthandel Goudstikker-Miedl 
... en hetzelfde pand nu
6. Villa Mannheimer, Hobbemastraat 20
De zeer vermogende Duits-Joodse bankier Fritz Mannheimer (1890-1939) begon in 1921 met de aanleg van zijn collectie, die publiekelijk te bezichtigen was in zijn huis aan de Hobbemastraat. Eind jaren dertig was Mannheimer de grootste particuliere kunstverzamelaar in Nederland. Zijn overdadig ingerichte stadsvilla aan het Museumplein werd gekscherend ook wel Villa Protzky genoemd.
Hij deed zijn kunstaankopen op krediet van zijn bank Mendelssohn, waardoor hij al snel grote schulden opliep. Mannheimer overleed voor het uitbreken van de oorlog in 1939. Vanwege grote schulden aan de bank legde deze beslag op zijn collectie, verklaarde hem failliet en verkocht deze aan de Dienststelle Mühlmann voor de zogenaamde Sonderauftrag Linz. Deze commissie had de opdracht kunstwerken te verzamelen voor het door Hitler geplande Führermuseum in het Oostenrijkse Linz. Na de oorlog werd het grootste deel van Mannheimers kunstschatten teruggevonden in een zoutmijn in Oostenrijk. Na terugkomst in Nederland werd de collectie beoordeeld als deel van de failliete bankboedel. Een deel van de verzameling werd geveild. Het grootste deel van deze collectie is te vinden in het Rijksmuseum Amsterdam, een klein deel is onderdeel van de NK-collectie.
Alle NK-objecten van Mannheimer zijn te vinden in de WO2-portal.

Villa Mannheimer destijds 
... en in het heden
7. Otto Lanz, Museumplein 9
De Zwitserse chirurg Otto Lanz (1865-1935) verhuisde naar Nederland nadat hij in 1902 benoemd werd tot hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Gedurende dertig jaar bouwde hij een gevarieerde collectie van meer dan 400 oude Italiaanse kunstwerken op in zijn woning aan het Museumplein. Na zijn overlijden in 1935 werd de collectie in bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum en niet verder aangevuld. In 1941 verkocht de weduwe van Lanz na langdurige onderhandelingen met diverse partijen de gehele verzameling tegen een goede prijs aan het Führermuseum. Na de oorlog keerde de collectie terug naar Nederland, waar vele belangrijke stukken een thuis vonden in het Rijksmuseum in Amsterdam. Een deel van de collectie is ook in bruikleen bij verschillende Nederlandse musea, zoals het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Een ander deel van de collectie werd in de jaren vijftig geveild.
Eén van de werken uit de collectie is het anonieme zeventiende-eeuwse Venetiaanse schilderij 'David met het hoofd van Goliath' (Paneel, 80 x 81 cm, RCE, NK1541)

Gebouw van Otto Lanz toen 
... en nu 
NK1541, 'David met het hoofd van Goliath', onbekende maker, olieverf, paneel, 1600-1700, 80 x 81 cm
8. Kunsthandel Stodel, Rokin 70
Kunsthandel J. Stodel, gerund door de Joodse broers Salomon en Bernhard Stodel, werd in oktober 1941 door de Duitse bezetter gesloten. Vervolgens werd Johan Peter Joseph Kalb aangesteld om als Verwalter op te treden, een door de nazi’s aangewezen zaakwaarnemer die alle ver- en aankopen vanaf dat moment moest goedkeuren. Kalb nam het beheer over en de gebroeders Stodel verloren alle controle over hun onderneming.
Op 5 augustus 1942 kocht Kalb Kunsthandel Stodel voor zo’n 46.000 gulden, een bedrag dat veel lager was dan de totale waarde van de objecten zoals vermeld in het inventarisboek. Salomon en Bernhard, die nooit over de koopsom hebben kunnen beschikken, overleefden beiden de oorlog. Na de bevrijding troffen zij het pand aan het Rokin vrijwel leeg aan. Kalb ontliep zijn straf niet: in 1947 veroordeelde het Tribunaal Amsterdam hem tot ruim twee jaar cel vanwege zijn pogingen persoonlijk financieel voordeel te trekken uit zijn positie als Verwalter.

Historische foto van Rokin nr. 70 
Rokin nr. 70 anno 2010
9. Veilinghuis Mak van Waay, Rokin 9-15
Veilinghuis Mak van Waay, oorspronkelijk gevestigd in Dordrecht, was rond 1900 al overgenomen door de twee zoons van Mak van Waay, Simon en Anton. In de jaren twintig breidden zij het bedrijf uit en kwam er een vestiging bij aan het Rokin in Amsterdam. In 1923 splitsten de broers het familiebedrijf op; Anton zette de Dordtse vestiging voort onder de naam A. Mak en Simon ging het Amsterdamse filiaal leiden onder de naam Mak van Waay. Terwijl Anton fel anti-Duits was, handelde Simon in Amsterdam actief met de Duitsers in geroofd Joods bezit. Zijn vrouw verklaarde na de oorlog dat zo’n zes procent van de in de oorlog bij Mak van Waay geveilde goederen Joods bezit waren. Anton deed tijdens de oorlogsjaren ook zaken met de Duitsers, maar handelde niet in geroofde Joodse eigendommen. Hij wilde niets met zijn broer te maken hebben en sloeg een toenaderingspoging van Simon dan ook af toen die laatste het in Amsterdam wel erg druk kreeg met het veilen van geroofde kunst.
Een voorbeeld van een object dat via de Liro en Mak van Way is verhandeld is NK 2787, Landschap met klassieke ruïnes, Patel, 1695.

Het pand waar Mak van Waay was gevestigd, toen 
... en het gebouw nu 
NK 2787, Patel, P.A. II, Landschap met klassieke ruïnes, 1695, olieverf, doek, 91cm x 128cm
10. Stadsarchief Amsterdam, Vijzelstraat 32
In het Stadsarchief zijn verschillende archiefstukken en bronnen te vinden die van belang zijn bij herkomstonderzoek naar geroofd Joods kunstbezit in de periode 1933-1945. Zo zijn er onder andere persoonskaarten bewaard gebleven waarop adres, beroep en religie genoteerd staan. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld foto’s en politierapporten aanwezig die het herkomstonderzoek bevorderen. Een voorbeeld van zo’n bron is het zakboekje van de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker.
Op 14 mei 1940 vluchtte Goudstikker met zijn gezin uit Amsterdam naar Engeland. Hij nam daarbij het zwartleren boekje mee waarin hij zijn hele handelsvoorraad aan schilderijen en tekeningen altijd nauwkeurig beschreven had. Dit inventarisboekje bevat onder andere waardevolle verwijzingen naar werken van Rembrandt en is een belangrijk bewijsstuk in het onderzoek naar de omzwervingen van de objecten uit zijn handelsvoorraad. Het boekje is digitaal in te zien via de website van het Stadsarchief Amsterdam.

Stadsarchief Amsterdam toen 
.. en nu 
Foto van het zakboekje van Jacques Goudstikker
11. Huis van Van Meegeren / het ‘Roode Huys’, Keizersgracht 321
Niet alle door de bezetter verkregen kunstobjecten waren wat de Duitsers dachten dat het waren. Kunstschilder en meestervervalser Han van Meegeren (1889-1947) verkocht in zijn werkzame leven diverse ‘onbekende werken’ van Hollandse Meesters. Zo ook aan rijksmaarschalk Hermann Göring, die in 1942 1,6 miljoen gulden neertelde voor een Vermeer getiteld 'Christus en de overspelige vrouw' (NK3394).
Van Meegeren leefde tijdens de jaren dertig en veertig een luxueus bestaan. Hij bezat een villa aan de Côte d'Azur en woonde tijdens de oorlogsjaren in het imposante grachtenpand genaamd het 'Roode Huys' aan de Keizersgracht. Richting het einde van de Tweede Wereldoorlog ontdekten geallieerde troepen een deel van Görings kunstcollectie, waaronder de onbekende Vermeer. Na de oorlog werd Van Meegeren opgepakt vanwege zijn handel met de bezetter. Tijdens de rechtszaak besloot hij toe te geven dat hij de werken vervalst had, om zo aan een zwaardere straf te ontkomen.
In het pand aan de Herengracht 458, waar Kunsthandel Goudstikker gevestigd was, kreeg Van Meegeren de opdracht om te bewijzen dat hij werkelijk een Hollandse Meester kon vervalsen. In 1947 werd hij veroordeeld tot één jaar cel wegens oplichting en werd er beslag gelegd op zijn vermogen. Voor hij zijn straf uit kon zitten, stierf hij echter aan een hartaanval.

Huis van Meegeren vroeger 
... en het 'Roode huys' nu 
NK3394, Christus en de overspelige vrouw, H.A. van Meegeren, J. Vermeer
12. Kunsthandel Firma D.A. Hoogendijk, Keizersgracht 640
Er waren ook galerie-eigenaren in Amsterdam die vrijwillig de handel met de bezetter opzochten. Dirk Albert Hoogendijk (1895-1975) stond in zijn tijd bekend als één van de grootste kunsthandelaren in Amsterdam. Hoogendijks kunsthandel deed tijdens de Tweede Wereldoorlog veel zaken met de nazi’s en verkocht onder andere veel schilderijen aan rijksmaarschalk Hermann Göring, naast Hitler misschien wel de meest beruchte nazi wanneer het om roofkunst gaat. Hoogendijk had toegang tot een grote en invloedrijke klantenkring en handelde dan ook in waardevolle collecties. Na de oorlog liep de reputatie van zijn kunsthandel een flinke deuk op. Niet alleen door de handel met de Duitsers maar ook door de zogenaamde ‘Van Meegeren-affaire’, waarbij Hoogendijk verantwoordelijk was voor de verkoop van het door Han van Meegeren vervalste schilderij 'De Emmäusgangers' van Johannes Vermeer.
Alle NK-objecten van Hoogendijk zijn te vinden in de WO2-portal.

Kunsthandel Hoogendijk destijds 
... en het gebouw nu
13. Walter Paech, Rokin 57
Walter Paech (1890-onbekend) was een Duitse kunsthandelaar uit Berlijn die zich vanwege zijn huwelijk met een Nederlandse in 1925 in Amsterdam vestigde. Aanvankelijk werkte hij als restaurator bij Kunsthandel Douwes en in 1929 opende hij zijn eigen galerie aan het Rokin. In de oorlog dreef hij veelvuldig handel met prominente nazi’s, onder andere in werken die hij in België had aangekocht. Zo bemiddelde hij niet alleen bij kunstaankopen voor het toekomstige Führermuseum van Hitler in Linz maar ook voor Hermann Göring, die hij zelfs vergezelde tijdens een bezoek aan Brussel. Na de oorlog veroordeelde het Tribunaal Amsterdam Paech voor zijn handel en collaboratie met de Duitsers tot een gevangenisstraf die hij in de periode van 1945-1946 heeft uitgezeten.
Alle NK-objecten van Paech zijn te vinden in de WO2-portal.

Historisch beeld van het Rokin 
Het gebouw in het heden
14. Kunsthandel Bernard Houthakker, Rokin 98
Bernard Houthakker (1884-1963) was een bekende en invloedrijke Joodse kunsthandelaar in Amsterdam. In 1926 opende hij een galerie aan het Rokin, waar hij zich vooral richtte op Hollandse schilderijen, etsen en tekeningen uit de zestiende en zeventiende eeuw. Om leegroof van zijn zaak door de Duitse bezetter te voorkomen, liquideerde Bernard zijn oorspronkelijke bedrijf en richtte hij in 1941 de Schilderijen en Kunsthandel 'Rembrandt van Rijn' op. Daar stelde hij iemand anders als directeur aan, een praktijk bekend als arisering. Die tactiek mislukte. Eind 1941 trad Carl Hansel, een voormalige Berlijnse caféhouder, als Verwalter aan, maar die werd krap een jaar later alweer uit zijn functie ontheven wegens fraude en oplichting. In 1943 werden Bernard, zijn vrouw Marion en zoons Lodewijk en Hendrik naar Westerbork getransporteerd. Lodewijk en Hendrik wisten te ontsnappen en overleefden de rest van de oorlog op een onderduikadres. Bernard en zijn vrouw kwamen in Theresienstadt terecht maar overleefden de oorlog eveneens.
Alle NK-objecten van Houthakker zijn te vinden in de WO2-portal.

Het pand waar galerie Houthakker in zat 
... en de locatie nu