Welke ruimte is er om energie te besparen en toch een veilige omgeving voor onze collecties te bieden? 

Deze klimaatverklaring in het Engels: Climate Declaration for heritage institutions.

Inleiding

Erfgoedorganisaties zoals musea, archieven en bibliotheken dragen zorg voor ons erfgoed en proberen de kwetsbare voorwerpen in deze enorme collectie zoveel mogelijk beschikbaar te stellen aan een breed publiek nu en in de toekomst.

Om het gebruik van de collectie ook in de toekomst te garanderen worden risico’s voor de collecties tot een acceptabel minimum beperkt. Naast factoren als licht, luchtverontreiniging, fysieke krachten en veiligheid speelt het klimaat een rol. Veel tijd en aandacht wordt door organisaties gegeven aan een veilig binnenklimaat waar mens en object comfortabel zijn. Maar het binnenklimaat beheersen kost veel energie en drukt daarmee enorm op de begroting. Welke ruimte is er om energie te besparen en toch een veilige omgeving voor onze collecties te bieden?

Urgentie

In het kader van klimaatverandering zijn erfgoedorganisaties genoodzaakt zich bezig te houden met energietransitie en mee te bewegen in het nakomen van internationaal gemaakte afspraken om significant minder CO2 uit te stoten. Door de stijgende energieprijzen is de noodzaak voor besparing op het energiegebruik verder toegenomen.

De laatste decennia zijn er nieuwe wetenschappelijke inzichten verkregen in de mate waarin onze collecties en bezoekers om een bepaald klimaat vragen. Deze inzichten bieden ons mogelijkheden om daadwerkelijk minder energie te gebruiken terwijl de risico’s voor de objecten niet toenemen en de aanpassingen vaak juist tot een verbetering van het behoud leiden. Met deze klimaatverklaring  willen wij enkele generieke uitgangspunten voor mogelijke aanpassingen aan uw binnenklimaat voorstellen, zodat u de collectie op een optimale wijze kunt behouden en presenteren zonder onnodig energieverbruik.

Hiermee sluiten we aan bij het initiatief dat in 2014 door de internationale groep van grote musea (Bizot genoemd) is genomen om de eisen van het bruikleenverkeer tussen grote musea te versoepelen.  Dit initiatief is vervolgens breed overgenomen door ICOM in samenwerking met IIC in de Environmental Guidelines ICOM-CC and IIC Declaration.

Wie zijn wij?

De verklaring wordt door verschillende belangenorganisaties,  erfgoedinstellingen en opleidingen gesteund. Hieronder vindt u de volledige lijst.

Wilt u uw erfgoedorganisatie op de lijst? Dan kunt u contact opnemen met de Infodesk.

Duurzaamheid en beheer

  • Verduurzaming is breder dan de discussie over klimaatnormen en moet een belangrijk onderliggend criterium zijn voor toekomstige uitgangspunten in het erfgoedbeleid.
  • Erfgoedorganisaties moeten proberen hun ecologische voetafdruk en milieu-impact te verkleinen om klimaatverandering tegen te gaan, door hun energieverbruik te verminderen en het gebruik van alternatieve hernieuwbare energiebronnen te onderzoeken en indien mogelijk toe te passen.
  • Behoud van collecties moet zo worden ingericht dat passieve methoden en energiezuinige oplossingen met voorrang worden overwogen .
  • Risicomanagement moet het uitgangspunt worden voor besluitvorming.
  • Duurzame beslissingen worden gemaakt door een interdisciplinair team waarin de eigenaar van het gebouw, de gebruiker van het gebouw, de eigenaar van de collectie, onderhoudspartijen voor gebouw en klimaatinstallatie en de collectiebeheerder vertegenwoordigd zijn.
  • De klimaateisen die voor (inter)nationaal bruikleenverkeer worden gesteld sluiten aan bij het (werkelijke) klimaat zoals dat heerst in de collectieruimten van de bruikleengever. Wees hierover eerlijk en transparant.  

Uitgangspunten binnenklimaat

Op basis van de doelen voor een duurzaam beheer kunnen enkele uitgangspunten worden geformuleerd voor een optimale beheersing van het binnenklimaat:

  • Veroudering van erfgoedobjecten is een constant natuurlijk proces dat niet gestopt kan worden. Desondanks hebben veel voorwerpen de tand des tijds doorstaan. Een aangepast klimaat is niet de enige factor die voor een optimaal behoud zorgt, maar wel een factor die veel tijd, budget en energie vraagt. Flexibeler klimaatbeheer geeft ruimte om ook aandacht te schenken aan andere aspecten van collectiezorg.
  • Risicomanagement moet in het brede belang van de continuïteit van de organisatie in relatie met het behoud van de collectie het nieuwe uitgangspunt worden voor besluitvorming. Dit betekent dat het acceptabele binnenklimaat primair wordt ingeschat op basis van de .
  • De streefwaarden voor het binnenklimaat moeten haalbaar zijn voor de organisatie. Het samenspel tussen type collectie, het gebouw, de toegankelijkheid, de middelen en de aanwezige kennis in de organisatie bepaalt welk klimaat realistisch haalbaar is. Zie ook: Het binnenklimaat in het programma van eisen van erfgoedinstellingen.
  • Het enigszins volgen van de seizoenen met de temperatuur wordt voor alle collecties aanbevolen. Als tijdens het stookseizoen de binnentemperatuur iets lager blijft heeft dat drie grote voordelen:
    • Er wordt minder energie gebruikt
    • Objecten degraderen minder snel. Veel materialen ondergaan chemische reacties waardoor het object veroudert, bij een lagere temperatuur verlopen deze reacties significant langzamer.
    • Als de lucht minder wordt verwarmd, zal deze ook minder droog worden. De relatieve luchtvochtigheid blijft hoger bij lagere temperatuur. Dit voorkomt droogte scheuren in hygroscopische constructies.
  • Het enigszins volgen van de seizoenen met de relatieve vochtigheid wordt aanbevolen, mits de fluctuatie geleidelijk is. Het handhaven van een zeer strikte vaste bandbreedte voor de relatieve luchtvochtigheid gedurende het gehele jaar is energetisch zeer ongunstig en voor de collectie onnodig. De aanbeveling is om in de winter een (iets) lagere en in de zomer een (iets) hogere relatieve luchtvochtigheid te handhaven.
  • Het regelen op een bandbreedte in plaats van één setpoint wordt aanbevolen, zowel voor temperatuur als relatieve vochtigheid. Dit betekent dat in de aansturing van de luchtbehandeling niet continu terug geregeld wordt naar één vaste streefwaarde. Dit heeft als grote voordeel dat musea met klimaatinstallaties minder te hoeven corrigeren als gevolg van een under- of overshoot.
  • Voor de meeste objecten zullen ruimere klimaatomstandigheden dan die tot nu toe gehanteerd worden geen of minimale schade veroorzaken. Een relatieve vochtigheid (RV) binnen het bereik van 40%-60% met schommelingen van maximaal 10% RV per 24 uur binnen dit bereik, en een temperatuur in het bereik 12-26°C met schommelingen van 5°C per 24 uur vormen een goed uitgangspunt.
  • Het hanteren van een (kleine) seizoensfluctuatie heeft als groot voordeel dat bruiklenen die van musea (of particuliere woonhuizen) met een minder gunstige klimaat worden geleend met minder risico’s kunnen worden ingezet.
  • Het sturen op de beheersing van fluctuaties van de relatieve luchtvochtigheid moet gedaan worden op basis van het historisch klimaat. Objecten die al lange tijd op één locatie worden getoond hebben als gevolg van dit historisch klimaat al veel fluctuaties van de RV ervaren. Zolang de fluctuaties in de toekomst niet groter zijn dan die in het verleden is het risico op mechanische schade vrijwel nul.
  • Objecten die zeer klimaatgevoelig zijn vereisen misschien een maatwerk oplossingen, zoals een microklimaat of specifieke en strakkere RV-regeling, afhankelijk van de materialen, conditie, constructie en de geschiedenis van het object. Zie Agent of Deterioration: Incorrect Relative Humidity.
  • Echter, veel van dergelijke (zeer) gevoelige objecten hebben in het verleden al door klimaatschommelingen schade opgelopen. Wees kritisch bij de beoordeling van de reële gevoeligheid.
  • Veruit de meeste objecten liggen opgeslagen in depots. Het klimaat in deze ruimten kan primair gericht zijn op het behoud van de collectie. Collecties vragen niet om een hoge temperatuur of verse buitenlucht. Er hoeft dus minder te worden verwarmd en de nadruk kan dus liggen op recirculatie met een zo’n klein mogelijk debiet.
  • Tijdens extreem warme en koude periodes wordt aanbevolen om tijdelijk bredere setpoints te kiezen. Dit reduceert het risico op uitval van de luchtbehandeling.

Afsluitend

De omgang met het binnenklimaat is niet eenvoudig. Het vraagt om kennis en aandacht. Veel tijd wordt besteed aan metingen, uitwerking en duiding om het klimaat binnen bandbreedtes te houden waarvan we denken te weten dat deze veilig zijn. De praktijk leert ons dat deze zelfopgelegde grenzen vaak strenger worden gekozen dan strikt noodzakelijk. De reden hiervoor is dat de klimaatgevoeligheid van de collectie vaak wordt overschat. Natuurlijk zijn er voorwerpen die uitzonderlijk kwetsbaar zijn, deze verdienen dan ook onze volledige aandacht. Vaak is dit slechts een zeer beperkt aantal objecten in de collectie en geldt voor alle andere objecten die robuuster zijn dan gedacht dat we moeten leren ‘los te laten’. Wij hopen dat daar met deze klimaatverklaring een eerste aanzet toe wordt gegeven.