Ruim honderd jaar geleden werd op de Amsterdamse Herengracht een zeventiende-eeuwse pronkzaal ontmanteld met schilderingen op de wanden en het plafond van Gerard de Lairesse en Johannes Glauber. De onderdelen raakten nadien verspreid, vergeten en deels zoek. Alleen vier wandschilderijen leken bewaard maar enige jaren geleden dook ook de pilasterbetimmering op. En in 2023 ontdekten onderzoekers in het depot van de RCE de opgerolde plafonddoeken. Daarmee is dit bijzondere interieur weer grotendeels compleet.
In de blogreeks Een verdwenen zaal vol verhalen volgen we het onderzoek en de restauratie van de zaal op de voet. We belichten onder meer de bouwgeschiedenis van het huis, de schildertechniek van De Lairesse en Glauber, de restauratie van de plafonddoeken, de constructie en kleurafwerking van de betimmering en hoe deze zaal in de toekomst weer gereconstrueerd zou kunnen worden. Deze eerste aflevering beginnen we met hoe het begon: een spectaculaire vondst.
Opgerolde doeken
Drie jaar geleden deden onderzoekers van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) een bijzondere ontdekking. Drie grote opgerolde doeken in het depot bleken een plafondschildering van Gerard de Lairesse (1640-1711). Rond 1684 maakte hij deze werken voor een van de meest modieuze interieurs van zijn tijd: de voormalige achterzaal van Herengracht 132 in Amsterdam. In dit spectaculaire ontvangstvertrek vormden architectuur en schilderingen op de wanden en het plafond samen één groot decor: midden in de Amsterdamse binnenstad leek het alsof je in een antiek stenen paviljoen stond, omgeven door een arcadisch landschap.
Ruim een eeuw geleden is dit pronkvertrek ontmanteld, waarna onderdelen verspreid, vergeten en zoek raakten. Vijftien jaar geleden werd de betimmering teruggevonden in het depot van het Amsterdam Museum. Met de recente vondst van de plafondschilderingen zijn bijna alle belangrijke onderdelen weer bekend.
In 2023 begon de restauratie van de plafonddoeken. Dat vormde ook het startsein voor een onderzoeksproject naar de oorspronkelijke zaal. Daarbij wordt materiaaltechnisch onderzoek gecombineerd met kunsthistorisch en bouwhistorisch onderzoek. Hoe kwam dit complexe samenspel van architectuur, schilderingen en betimmering tot stand? Hoe zag het vertrek er oorspronkelijk uit? En hoe kun je "verweesde" interieurschilderingen en -decoraties vandaag de dag het beste behouden en presenteren? De RCE werkt hierbij samen met het Amsterdam Museum, het Rijksmuseum en externe onderzoekers.

Beeld: © René Gerritsen Kunst & Onderzoeksfotografie
De drie plafonddoeken toen ze net waren gevonden, vooraf aan hun restauratie. De doeken hebben nog sterke vouwen en zijn bedekt door een sterk vergeeld vernis en overschilderingen.
Een antiek paviljoen in Amsterdam
De opdrachtgever van het pronkvertrek was de Amsterdamse zijdekoopman Jacob de Flines (1657-1714). Deze vermogende doopsgezinde koopman was een groot kunstkenner en een belangrijke opdrachtgever van De Lairesse. Nadat De Flines het grachtenpand in 1683 had gekocht, liet hij het interieur ingrijpend verbouwen. Aan de tuinzijde kwam de achterzaal, het belangrijkste ontvangstvertrek, die bijna 6 meter breed was, bijna 8,5 meter diep en bijna 5 meter hoog. Twee ramen op het noordwesten boden zicht op de tuin. De toegangsdeur was in het midden van de gangwand met daar recht tegenover de schouw.
De Lairesses plafonddoeken waren tussen de plafondbalken geplaatst en vormen samen een kolossaal trompe-l’oeil steenreliëf met acanthusbladeren, guirlandes, eierlijsten, putti en mythologische voorstellingen. Het middenstuk heeft een oculus, een illusionistische opening waardoor een balustrade en de hemel te zien zijn. Daaronder zweeft de Faam met haar trompet.

Beeld: © Digitale bewerking van plattegrond door André Winder en Pieter Vlaardingerbroek, Bureau Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam
Plattegrond originele indeling achterzaal, met de positie van de vier bewaarde zaalstukken. De gangdeur bevond zich tegenover de schouw.
Tegen de wanden hingen vijf grote doeken met arcadische landschappen van Johannes Glauber (1646-1726), waarin De Lairesse figuren had toegevoegd: aan weerzijde van de schouw en de deur was er telkens een doek en het vijfde bevond zich op de achterwand tegenover de ramen. De grote wandschilderingen, indertijd zaalstukken genoemd, waren boven een lambrisering gepla atst. Die maakte onderdeel uit van een alle wanden beslaande eikenhouten betimmering met Korintische pilasters. Daarin waren ook een schouwstuk en een bovendeurstuk van De Lairesse opgenomen, elk met een trompe l’oeil steenreliëf.
Een groot decor
Dankzij oude beschrijvingen weten we dat de zaal meteen diepe indruk maakte op tijdgenoten. Kunstenaars en kunstliefhebbers kwamen het vertrek bewonderen en voor de beroemde schilder Adriaen van der Werff (1659-1722) vormde deze zelfs een directe inspiratiebron. Dit soort ‘geschilderde kamers’ werd onder rijke burgers in de laatste decennia van de zeventiende eeuw zeer populair en dat bleef zo de hele achttiende eeuw. De Flines zette met zijn pronkkamer de trend. Wat deze interieurs zo bijzonder maakt, is dat ze niet bestaan uit losse kunstwerken, maar uit een zorgvuldig georkestreerd geheel. In de schilderingen zijn de compositie, lichtwerking en het perspectief volledig afgestemd op de architectuur en op de positie van de beschouwer.

Beeld: © Rijksmuseum Amsterdam
De vier nog bekende zaalstukken met arcadische landschappen met antieke figuren. De doeken zijn bijna drie meter hoog en ruim twee meter breed.
In De Flines’ zaal hebben de landschappen rondom bedrieglijk echt geschilderde stenen vensters, die als voortzetting van de pilasterbetimmering waren bedoeld. Zo leek het alsof je naar buiten keek naar de natuur, en naar de mensen van De Lairesse die op hun beurt de kamer inkeken. De geschilderde lichtval correspondeert met de natuurlijke lichtinval in het vertrek. Bij de plafonddoeken is het steenreliëf gemodelleerd alsof het van onderaf vanuit de ramen wordt beschenen. Dat geldt ook voor de Faam waardoor het moet hebben geleken alsof ze daadwerkelijk boven je zweefde. Wanneer je vanuit de gang de zaal binnenkwam, trok zij meteen je aandacht. Dat komt ook omdat ze op die plek naar je toe was gericht en haar perspectivisch verkort het meest overtuigend oogde.
Van pronkstuk tot puzzel
Meer dan tweehonderd jaar bleef de zaal grotendeels intact. In het midden van de negentiende eeuw vonden wel enkele ingrijpende aanpassingen plaats. Het zaalstuk op de achterwand maakte plaats voor een dubbele deur. Ook werd de oorspronkelijke schouw, die diep het vertrek in stak en Korintische zuilen had, vervangen door een plat exemplaar met spiegel. Het schouwstuk werd eveneens verwijderd, net als het stuk boven de gangdeur. Van die drie doeken en de zeventiende-eeuwse schouw ontbreekt vooralsnog ieder spoor.
Foto’s van rond 1900 geven de nieuwe situatie weer. De betimmering was toen in een lichte kleur geschilderd. Eind negentiende eeuw raakten bovendien delen van de plafondschildering beschadigd door lekkage van een bad op de bovenverdieping. De plafonddoeken zijn toen voorzien van een was-hars-bedoeking en uitgebreid overschilderd.

Beeld: © R.P.J. Tutein Nolthenius Het geslacht Nolthenius (Tutein Nolthenius), 2 dln., Haarlem 1914 en 1930, deel 2, tussen p. 676 en p. 677
De achterzaal rond 1905-1910. De platte schouw met spiegel en de dubbele deur zijn in het midden van de negentiende eeuw ingebracht.
In 1910 werd de zaal volledig ontmanteld. De bedoeling was dat de onderdelen als stijlkamer in het Stedelijk Museum van Amsterdam zouden worden opgesteld, maar daarvan kwam het niet. Daarna raakten de delen van elkaar gescheiden. De vier zaalstukken kwamen na omzwervingen in 1971 in het Rijksmuseum terecht. Daar bevinden ze zich al meer dan twintig jaar in het depot. De herkomst van de wandbetimmering werd vergeten, om vijftien jaar geleden in het depot van het Amsterdam Museum weer te worden ontdekt. De plafonddoeken zijn in de jaren twintig van de vorige eeuw overgedragen aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten. Ze waren toen zonder koker opgerold. In 1958 droeg de Akademie ze over aan een voorloper van de RCE, als anonieme werken van onbekende herkomst. De doekrollen waren toen inmiddels flink ingezakt en verdwenen in het depot totdat ze door RCE-onderzoekers in 2023 werden geïdentificeerd.
Uit de mode
Dat deze belangrijke plafondschilderingen zo lang onopgemerkt bleven, heeft meerdere oorzaken. Al kort na de ontmanteling van de zaal was men vergeten dat ze door Gerard de Lairesse waren geschilderd.Bovendien was de waardering voor deze ooit zo geliefde kunstvorm aan het eind van de negentiende eeuw omgeslagen. Geschilderde kamers raakten uit de mode en veel zijn er toen uit gebouwen verwijderd. Ze gingen verloren, raakten verspreid of er bleven alleen fragmenten van bewaard. Ook in de twintigste eeuw bleef de belangstelling voor dit soort interieurs beperkt. Pas de laatste decennia groeit de waardering.
Het lot van De Flines’ achterzaal is representatief voor dat van veel geschilderde kamers waarvan onderdelen verweesd zijn en verbannen tot het depot. Als de schilderingen al te zien zijn, worden ze als losse voorstellingen getoond, zonder dat er rekening is gehouden met hun oorspronkelijke context. Maar voor deze schilderingen is die context juist essentieel: ze komen alleen volledig tot hun recht wanneer ze samen met de betimmering zijn opgesteld en je ze vanuit de juiste hoek en afstand beziet en onder de juiste lichtomstandigheden, net als in het originele vertrek.

Beeld: © René Gerritsen Kunst & Onderzoeksfotografie
Een van de zijdoeken na vernisafname.
Restauratie in volle gang
In 2023 is de RCE met de restauratie van de plafonddoeken begonnen. Op de vouwen van de ingezakte rollen bleek veel verf verloren gegaan. De oude was-hars bedoeking was bros geworden en liet plaatselijk los van het originele doek. Ook was de voorstelling bedekt met vergeelde vernis.
De restauratoren richtten zich eerst op de conservering van de schildering om verder verval te voorkomen. Het steunweefsel werd vervangen, de vouwen vlakgemaakt en de brosse verf vastgezet. Inmiddels is ook het vernis verwijderd, evenals de meeste overschilderingen. De resultaten zijn spectaculair. Het donkergeel geworden ‘steenreliëf’ blijkt lichtgrijs, geplaatst tegen een lila achtergrond, met geraffineerde blauwgrijze slagschaduwen.
Opnieuw beleefd
Met de vondst van de plafonddoeken is De Flines’ beroemde achterzaal grotendeels weer compleet. Dit is bijzonder. Geen andere geschilderde burgerkamer uit de zeventiende eeuw bleef zo volledig bewaard. En wie weet worden ooit nog het zaal-, schouw- en bovendeurstuk en de oorspronkelijke schouw teruggevonden, die in het midden van de negentiende eeuw zijn verwijderd.
Toch roept deze hereniging ook nieuwe vragen op. Hoe toon je interieuronderdelen die oorspronkelijk bedoeld waren als onderdelen van een veel groter visueel geheel? Musea zijn vaak terughoudend met reconstructies van complete kamers, omdat die een groot beslag op de ruimte leggen. Ook ontkom je er niet aan onderdelen te reconstrueren, wat ingaat tegen de wens van musea om alleen authentieke stukken te tonen. Terugkeer naar Herengracht 132 is overigens uitgesloten. Vijftien jaar geleden heeft een uitslaande brand het pand zwaar beschadigd. Bij de daaropvolgende renovatie is het verdeeld in appartementen met een compleet andere indeling dan in De Flines’ tijd.

Onderzoek aan een van de zijdoeken door restaurator Arielle Veerman en onderzoeker Margriet van Eikema Hommes tijdens vernisafname in het CCNL. 
Ruth Jongsma van Bureau voor kleuronderzoek en restauratie en Daya Hellings van de Universiteit Utrecht onderzoeken de betimmering. Deze bevond zich toen nog in de opslag van het Amsterdam Museum. In 2025 is deze overgebracht naar het CCNL.
Dat De Lairesses plafondschildering na restauratie terugkeert naar het depot is niet de bedoeling. De inzet is om het gehele interieur te presenteren, samen met de pilasterbetimmering en de arcadische landschappen, in een vertrek dat de oorspronkelijke zaal zo dicht mogelijk benadert. Om dit te realiseren zijn de restauratie, het onderzoek én de zoektocht naar een geschikte locatie voor de pronkkamer in volle gang. In de komende afleveringen van deze blogreek wordt dit stap voor stap gevolgd.
Dit blog is geschreven door Margriet van Eikema Hommes, specialist schilderkunst zeventiende en achttiende eeuw, en is onderdeel van de serie Een verdwenen zaal vol verhalen: #verdwenenzaal.