De bibliotheek- en archiefcollecties van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) zitten vol bijzondere verhalen over erfgoed in Nederland. In de blogserie ‘Parels uit het depot’ belichten we steeds een van die verhalen. Deze keer is dat de collectie Klokkenvordering, met onder meer 1200 foto’s van kerkklokken die tijdens de Tweede Wereldoorlog in opdracht van de bezetter uit de Nederlandse kerktorens werden gehaald. Waarom werden deze klokken massaal uit de kerken gehaald, en hoe ging dat in zijn werk? En wat was de betrokkenheid van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg hierbij?

Beeld: RCE Beeldbank: KLV-6x6-0041
Uitgehaalde klokken op een opslagplaats, vermoedelijk in Spijk.
Waardevol metaal
Normaal gesproken hoor je door het aantal slagen van kerkklokken hoe laat het is. En ook bij speciale gebeurtenissen zoals begrafenissen, trouwceremonies of calamiteiten laten ze van zich horen, als klinkende boodschappers. Maar vanaf 1942 klonken er steeds minder klokken en verstilde het klokgelui in Nederland. De Duitse bezetter had opdracht gegeven om zo veel mogelijk torenklokken te vorderen om het materiaal te kunnen gebruiken. De bronzen klokken, gemaakt van een legering van koper en tin, waren nodig om de Duitse oorlogsindustrie draaiende te houden, bijvoorbeeld om er granaathulzen en munitie van te maken. Het vorderen van kerkklokken was overigens niet nieuw. Ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), de Franse Revolutie (1789-1799) en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) moesten kerkklokken het in groten getale ontgelden. Ze werden omgesmolten voor de wapenproductie.
Goed voorbereid
Met deze voorbeelden uit het verleden en de dreigende oorlogssituatie in het vooruitzicht, benaderde het Rijksbureau voor de Monumentenzorg (een van de voorlopers van de RCE) in 1937 de Nederlandse Klokken- en Orgelraad. Deze kreeg de opdracht om een lijst samen te stellen van alle klokken en klokkenspelen die in een mogelijke oorlog gered moesten worden, en welke eventueel opgeofferd. In 1940 was de lijst gereed en stonden er ongeveer 9000 luid-, speel- en slagklokken met een totaalgewicht van 3450 ton genoteerd. Er werd een indeling gemaakt welke klokken in eerste, tweede en derde instantie gespaard moesten worden. De inmiddels ingestelde Inspectie Kunstbescherming maakte in samenspraak met de Klokken- en Orgelraad uit de complete lijst een selectie van klokken en klokkenspelen die in ieder geval gespaard moesten blijven. Dat waren klokken gegoten vóór 1500, klokken van de gebroeders Hemony, enkele klokken van Geert van Wou, en carillons van vóór 1800. Daarnaast zoveel mogelijk klokken tussen 1500 en 1801, tenminste 1 exemplaar per gieter. De 319 klokken en 28 klokkenspelen die op deze selectielijst stonden, werden voorzien van de letter M (monumentaal) en kregen een certificaat in vier talen met het verzoek om de klok te sparen.

Beeld: RCE Beeldbank: KLV-6x6-0564
Voorbeelden van M-klokken die later in de oorlog toch uit de toren zijn gehaald. De klok op de voorgrond uit Wijckel is gegoten in 1399. De klok linksachter uit Wanswerd is van 1402.
“Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet”
Na de capitulatie van Nederland in mei 1940 nam de Duitse bezetter de organisatie van de klokkenregistratie over, inclusief de al zorgvuldig aangelegde administratie. De Inspectie Kunstbescherming probeerde op verschillende manieren een mogelijke vordering uit te stellen en te saboteren. Zo werd in 1941 besloten dat het percentage van het aantal te beschermen klokken in Nederland gelijk werd getrokken met dat in Duitsland, namelijk 25%. Dat was al 10% meer dan de 15% die vóór de capitulatie voor Nederland was vastgesteld. Ook werd besloten dat buiten de M-klokken de overige klokken verdeeld werden in drie categorieën: A, B en C klokken. A-klokken waren in deze verdeling de minst waardevolle, en over het algemeen modernere klokken, van de B-klokken werd de historische waarde iets hoger ingeschat en de C-klokken werden historisch gezien het meest waardevol geacht en moesten zo lang mogelijk beschermd blijven.
In juni 1941 werd door de Rüstungsinspektion de eerste metaalvordering in Nederland afgekondigd. Dit was een grootschalige inbeslagname van metalen om de grondstoffenschaarste van de Duitse oorlogsindustrie aan te vullen. De Nederlandse klokken bleven aanvankelijk gespaard, maar na de afkondiging van de tweede metaalvordering in oktober 1942 werd er begonnen met de vordering van klokken. De beschermde carillons en M-klokken bleven in eerste instantie hangen maar de A-, B- en C-klokken werden uit de torens gehaald. Het Limburgse bedrijf van Peter Meulenburg, toentertijd ook wel ‘klokken-Peter’ genoemd, nam een groot deel van de werkzaamheden voor de Duitsers voor zijn rekening. Met een team van tweehonderd tot vijfhonderd medewerkers wist hij binnen een jaar (oktober 1942 - september 1943) 6700 klokken uit de torens te halen en naar 24 opslagplaatsen te brengen. Veel tegenstand hiertegen viel er niet te bieden, inwoners keken ontstemd toe hoe de klokken soms hardhandig uit de torens verwijderd werden. In Groningen ontstond tijdens de vordering de leus: “Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet”.

Beeld: Beeldbank: KLV-6x6-0044
Een uitgehaalde C-klok afkomstig uit het R.K. Ziekenhuis in Hilversum in een van 24 opslagplaatsen.
Uitgebreide registratie
Omdat het onwaarschijnlijk was dat na de invoering van de klokkenvordering meteen alle klokken richting Duitsland getransporteerd zouden worden en omgesmolten, stelde secretaris-generaal Jan van Dam van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming in november 1942 voor, om de uitgehaalde klokken op grote terreinen te verzamelen en in rijen op te stellen. Zo konden de klokken geïnventariseerd, en afzonderlijk onderzocht en beschreven worden. Er werden foto’s gemaakt, informatie over de opdrukken genoteerd en afdrukken van de versieringen gemaakt. De rijksinspecteur voor de kunstbescherming Jan Kalf had een aantal deskundigen benaderd om deze registratie voor hun rekening te nemen. De medewerkers kregen kaarten en formulieren om in te vullen en ontvingen per ingevulde kaart of formulier een gulden. Alle gegevens werden vervolgens teruggestuurd naar de Inspectie Kunstbescherming die deze verder verwerkte. Zo duurde het ruim een half jaar om de uitgehaalde klokken te registreren.
Begin 1943 kreeg J.W. Janzen, die de werkzaamheden van Kalf had overgenomen, de mededeling dat alle Nederlandse klokken voortaan op dezelfde manier beoordeeld zouden worden als de Duitse klokken. Hij stelde het plan op om door de Inspectie Kunstbescherming eerst een selectie te laten maken van waardevolle A, B en C-klokken die vervolgens weer door een Duitse deskundige beoordeeld zou worden. De geselecteerde klokken werden voorzien van een P, van Prüfüng, wat een sprankje hoop bood voor hun behoud omdat ze hierdoor niet direct naar Duitsland gebracht zouden worden. Janzen gaf de opdracht om voor de zekerheid alle klokken van vóór 1800 van een P te voorzien. In de zomer van 1943 werden de geselecteerde P-klokken naar de opslagplaatsen van de kunstbescherming gebracht in Spijk, Meppel en Tilburg waar ze zouden wachten op verder onderzoek. Door deze uitgebreide en grondige aanpak kon het transport van vele klokken worden uitgesteld en omsmelting voorkomen.

Beeld: RCE Beeldbank: 203.056
Medewerkers maken een afdruk van de tekst en versiering op een P-Klok afkomstig uit de Grote Kerk - Nederlandse Hervormde Kerk in Hilversum.
Hoop van zegen
Dat gold niet voor alle klokken. De eerste lading werd in maart 1943 naar Hamburg vervoerd, in maart 1944 vond het laatste transport plaats. In een jaar was 55% van het totale klokkengewicht per trein of boot afgevoerd uit Nederland. In het laatste jaar van de oorlog verliep de vordering chaotisch. Zo werden er in 1944 toch M-klokken geroofd door de bezetter en werden er op Dolle Dinsdag nog snel P-klokken vanuit de opslag in Meppel naar Duitsland overgebracht.
In de chaos verliep het transport niet altijd vlekkeloos. Het Nederlandse klipperschip Hoop op Zegen werd door de Duitsers gevorderd om de meer dan tweehonderd geroofde M-klokken uit de opslag in Leerdam naar Hamburg te vervoeren. Het schip maakte in deze reis deel uit van een konvooi dat door een sleepboot richting Emden werd getrokken. Het schip voer langs de kust van het IJsselmeer, maar ter hoogte van Urk waren de vuurtorens gedoofd door de vuurtorenwachter. Toen het konvooi nabij de beruchte zandbank ‘De Vormt’ was raakte een aantal schepen los van de sleep, waaronder het schip Hoop op Zegen met de waardevolle M-klokken aan boord. Het schip raakte de zandbank, en bleef vastzitten. De firma Hoekman uit Urk werd vervolgens aangesteld voor de berging van het schip. Het bergen van het schip werd door de firma hoogst waarschijnlijk gesaboteerd zodat het schip uiteindelijk nog dieper zonk. De klokken lagen toen weliswaar op de bodem van het IJsselmeer, maar dit zorgde ervoor dat ze niet omgesmolten werden.
De ruim tweehonderd klokken werden na de bevrijding vrijwel meteen geborgen en teruggebracht naar de oorspronkelijke eigenaren. Dit in tegenstelling tot veel andere Nederlandse klokken die in de oorlogsjaren gevorderd waren. In 1945 bleek dat ongeveer 4700 van de circa 9000 geregistreerde klokken verloren waren gegaan. Enkele honderden klokken konden na de bevrijding weer terugkeren naar hun eigen toren. In veel gevallen kon de Inspectie Kunstbescherming hierbij hulp bieden aan kerken en eigenaren bij het terugvinden en retourneren van deze klokken dankzij de uitgebreide administratie en diverse dossiers die ze voor en tijdens de oorlog verzameld hadden. Klokken die tijdens de oorlog verloren waren gegaan werden vervangen. Voor een groot deel werden de nieuwe luidklokken vergoed door het rijk. Door grondstoffenschaarste en de grote drukte bij de enkele Nederlandse gieterijen voor het gieten van nieuwe klokken, moesten veel gemeenten geduld hebben tot er een vervangende klok in de kerk hing.

Kaartenbak met daarin registratiekaarten van de klokken. Bovenop liggen twee fotokartons met foto’s gemaakt tijdens de registratie.
De klokkeninventarisatie en -registratie bevindt zich nu in de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed waaronder de vele foto’s die gemaakt zijn van de klokken tijdens de registratie, evenals de afdrukken van de tekstopdrukken en versieringen, de zogeheten ‘frotties’. Deze foto’s zijn online te vinden via de beeldbank van de RCE.
Bronnen
- Blok-Pas, C., ‘Het klokkenschip’ (geraadpleegd op 9-4-2026).
- Iseger, W., Stille torens. De klokkenvordering in Utrecht tijdens de Tweede Wereldoorlog (Utrecht 2021).
- Lambert-Avis, J.I., Wie met klokken schiet, wint de oorlog niet : de klokkenvordering tijdens de Tweede Wereldoorlog (Asten 1992).
- Van Nieuwenhoven, H. J., Klokkenvordering 1942-1943 (Zeist 1996).
Dit blog is geschreven door Bastiaan Schoolmann en is onderdeel van de serie Parels uit het depot: #parelsuithetdepot.