De bibliotheek- en archiefcollecties van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) zitten vol bijzondere verhalen over erfgoed in Nederland. In de blogserie ‘Parels uit het depot’ belichten we steeds een van die verhalen. Dit keer duiken we daarvoor in de aantekeningen die kapitein Hendrik Joseph Bellen maakte toen hij op zoek ging naar sporen uit het prehistorische verleden. Wat komen we - bladerend in 10 rode zakagenda’s – te weten over deze kapitein, die door zijn Veluwse veldtochten een gewaardeerde amateur-archeoloog werd?

Beeld: Jarno Pors
Van 1923 tot en met 1932 maakt kapitein Bellen notities van wat hij vindt tijdens zijn tochten op de Veluwe. Tien zakagenda’s geven hiervan een mooi beeld.
In het veld
Hendrik Joseph Bellen (1884-1961) is nog maar zeventien jaar oud als hij in Limburg het leger in gaat. In mei 1920 wordt hij overgeplaatst naar het 22e Regiment Infanterie in Ede, waar hij ook gaat wonen. Ook de legerplaats Harskamp met oefen- en schietterrein ligt vlakbij. Hier op de Veluwe lijkt hij het militaire werk goed te kunnen combineren met zijn grote interesse in de archeologie.
Het is Constantin Koenen (1854-1929), een Duitse selfmade-archeoloog, die Bellen ïnspireert om zijn passie voor de archeologie verder te ontplooiien. De twee komen met elkaar in contact in 1922. Er ontstaat een vriendschap en de twee trekken er regelmatig samen op uit. Zo wordt Bellen van een geïnteresseerde lezer een enthousiaste amateurarcheoloog. In het daarop volgende jaar besluit hij om aantekeningen van zijn archeologische tochten bij te houden in rode boekjes. Hieruit is op te maken dat dit er, in de jaren waarin hij op de Veluwe gelegerd is, vele zijn geweest.
Van dag tot dag
Gedurende de tien jaar dat Bellen zijn archeologische waarnemingen in zijn zakagenda’s vastlegt (1923-1932), doet hij zijn grootste ontdekkingen. Halverwege deze periode, in 1927, wordt Bellen bevorderd tot kapitein bij de Infanterie. Het is dan kapitein Bellen, de amateur-archeoloog.
In de boekjes staan veel notities in de vorm van topografische schetsen, bodemprofielen en tekeningen van vondsten. Zo nu en dan passeren ook relevante krantenartikelen en opzetjes van brieven de revue.
Doordat Bellen nauwkeurig is in het maken van vondsttekeningen, krijgen we een goed beeld van wat hij op de Veluwe vindt. Bij een van de grafheuvels van het prehistorische urnenveld Honslog (Ede) vindt hij zo in 1928 een urn, een bronzen fibula [mantelspeld], een beker en een ijzeren voorwerp. Bladerend in de agenda’s zien we ook schetsen van klokbekers, dolken, barnstenen kralen, polsbeschermers [voor pijl en boogschieten] en pijlpunten.

Gevonden objecten in een grafheuvel bij Honslog (Ede), door kapitein Bellen in potlood getekend. Zakagenda 24 en 25 augustus 1928. 
Krantenknipsel over urnen gevonden door kapitein Bellen, zakagenda 12 februari 1928. 
Spijkerschrift op een Babylonische tegel in de Koninklijke Bibliotheek te Berlijn, bestudeerd door Bellen, zakagenda 21 augustus 1927.

Beeld: Jarno Pors
Via de zakagenda’s zien we ook met wie Bellen in contact kwam, zakagenda 3 januari 1931.
Via Koenen komt Bellen in contact met een van Nederlands bekendste archeologen uit die tijd, Albert Egges van Giffen (1884-1973), ook wel vader van de hunebedden genoemd. Uit de agenda’s blijkt dat Bellen en Van Giffen regelmatig contact hebben. Zo bekijkt Van Giffen de verzameling van Bellen in Ede. In de agenda van Bellen lezen we ook dat de twee in mei 1923 op verschillende excursies naar de Veluwe gingen.
Leider van de opgraving
Hoe gaat hij te werk bij de opgravingen? Veel doet Bellen zelf, waarbij hij al fietsend langs de heidevelden in de omgeving van Ede en Lunteren op zoek gaat naar prehistorische sporen. Doordat de infanteriekapitein dit graag in vol ornaat doet, wordt hij een bijzondere verschijning. Soms vallen werk en hobby samen, zo doet hij regelmatig opgravingen op militair oefenterrein. In die tijd is er nog geen Erfgoedwet, zoals nu, die dit wettelijk verbiedt. Dat verbod komt er op 24 mei 1940: vanaf dat moment mogen particuliere onderzoekers zelf geen opgravingen uitvoeren.

Beeld: © Vereniging Oud Ede / Historisch Museum Ede
Archeologische opgraving in natuurgebied De Ginkel, 1928. In de kuil voorste rij zittend, 2e van links, zit kapitein Bellen.
Grafheuvel op de Ginkelse heide
In de loop der jaren verzamelt kapitein Bellen duizenden voorwerpen, maar lang niet van alles maakt hij een uitgebreid opgravingsverslag. Daarom is het bijzonder dat hij dit voor een grafheuvel op de Ginkelse Heide wél doet, op 17 augustus 1927. De opgraving start om half elf en loopt tot in de late middag. In de grafheuvel vindt hij verbrande beenderen, een vuurstenen pijlspits, een klokbeker, een kleine bronzen dolk en een leistenen polsbeschermer. Daarvoor graaft Bellen tot ongeveer 90 centimeter diep. Het gehele opgravingsverslag is later in 1958 door Bellen in zijn agenda van 1927 geplakt, omdat hij vindt dat de informatie niet mag ontbreken in zijn agenda’s.

Omschrijving van de ligging van de objecten, opgraving Ginkelse Heide, zakagenda 17 augustus 1927. 
Profielschets van de vondsten, de klokbeker (A) staat geheel rechts getekend. De andere vondsten (B, C, D en E) links, zakagenda 17 augustus 1927.
De bronzen dolk uit de opgraving op de Ginkelse Heide is exceptioneel, zoals voor meerdere vondsten van Bellen geldt. Het is dan ook zijn wens dat zijn eigen collectie een museale bestemming krijgt.
Naar het Rijksmuseum van Oudheden

Beeld: Rijksmuseum van Oudheden
Links de koperen tongdolk die Bellen vond.
Dat moment nadert als Bellen vanwege zijn werk wordt overgeplaatst naar Assen, per 1 augustus 1931. Vanaf dan probeert Bellen zijn grote collectie prehistorische vondsten ergens onder te brengen, maar niet voor iedere prijs. Het proces komt in een stroomversnelling wanneer hij in het voorjaar van 1935 zijn riante huis aan de Vaart in Assen verruilt voor een kleinere woning waar hij geen plaats meer heeft voor zijn verzameling. Bovendien kan hij het geld goed gebruiken voor de studies van zijn kinderen.
Bellen is geen vreemde van het Rijksmuseum van Oudheden. Een van de eerste contacten is wanneer Bellen in 1923 de directeur, Jan Hendrik Holwerda, bedankt voor het toezenden van een Gids van de Nederlandse afdeling van het museum. Hij probeert eerst nog zijn collectie te ‘ruilen’ voor een betrekking in het museum. Holwerda gaat hier echter niet op in. Wel biedt hij aan om de collectie over te nemen voor een prijs van 2.000 gulden. In eerste instantie gaat Bellen hier niet mee akkoord omdat hij het bedrag te laag vindt. Maar dan slaat de economische crisis toe en besluit hij zijn geliefde collectie voor 1.500 gulden te verkopen.
Dat de collectie van Bellen bijzonder is, vermeldt ook directeur van het Museum Kam [tegenwoordig opgegaan in Museum Valkhof] in Nijmegen, de heer Evelein. Bellen citeert hem op 5 juni 1930 in zijn agenda:
Collectie heeft groote waarde. Is niet alleen instructief, maar ook voor een museum decoratief. (…) Het vormen van een dergelijke verzameling in het terrein is in de toekomst nergens meer te bereiken.

Beeld: Rijksmuseum van Oudheden
Enkele topstukken uit de verzameling van Bellen in de collectie van het RMO. V.l.n.r. een klokbeker, vuurstenen en een stuk van een bijl.
Gelezen worden
Bellen overlijdt op 11 april 1961, maar zijn werk leeft voort. In 2013 verschijnen twee publicaties over Bellen. De eerste is de biografie Volgens kapitein Bellen geschreven door Henk M. Luning. De tweede is de publicatie Acht grafvondsten van archeoloog Jan Nanning Lanting, die de historische waarde en betrouwbaarheid van de zakagenda’s van kapitein Bellen onderzocht. Beide publicaties bevinden zich in de bibliotheekcollectie van de RCE en kunnen hier worden ingezien. Net als de tien rode zakagenda’s van kapitein Bellen, die lange tijd onbekend zijn gebleven, maar nu voor iedereen bij de RCE zijn in te zien.
Deze blog is geschreven door Stan Kelder en is onderdeel van de serie Parels uit het depot: #parelsuithetdepot.