Naar de navigatie

Hoe kom je er als provincie (provinciaal archeoloog) achter welke bestemmingsplannen niet archeologievriendelijk zijn?

Hoe kom je er als provincie (provinciaal archeoloog) achter welke bestemmingsplannen niet archeologievriendelijk zijn?

Om te voorkomen dat een analyse van alle in de provincie aanwezige bestemmingsplannen gemaakt moet worden is het verstandig de in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Archeologische Monumentenzorg omschreven systematiek te hanteren. Daarin wordt het volgende omschreven:
“De provincie stelt de termijn vast waarbinnen gemeenten hun bestemmingsplan(nen) ‘archeologievriendelijk’ moet hebben vastgesteld. Om tot een dergelijk besluit te komen stel ik mij voor dat een provincie allereerst inventariseert welk gebied of welke gebieden voor een mogelijke aanwijzing in aanmerking komen. De provinciale Archeologische Monumentenkaart bevat een overzicht van bekende (en gewaardeerde) terreinen met archeologische waarden. Ik ga ervan uit dat bij een aanwijzing tot archeologisch attentiegebied provincies zich op deze kaart zullen baseren. De drie verplichtende regimes zullen, nu en in de toekomst, een deel van de gebieden op de provinciale Archeologische Monumentenkaart ‘afdekken’. Ik kan mij daarom voorstellen dat provincies alleen wat kleinere oppervlakten van gebieden op deze kaart aanwijzen als archeologisch attentiegebied. Maar dat is uiteindelijk te bepalen door provincies zelf.
Een volgende stap zou kunnen zijn dat de provincie bekijkt in welke van die gebieden er de komende jaren bodemingrepen op stapel staan, met andere woorden: in welke van die archeologisch belangrijke gebieden is de kans ook daadwerkelijk aanwezig dat er archeologische sporen verloren gaan. Immers, het ligt niet erg voor de hand om een gebied als archeologisch attentiegebied aan te wijzen, bijvoorbeeld een natuurgebied met een hoge archeologische waarde, waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat de bodem in dit gebied de komende jaren – of misschien zelfs wel decennia - niet verstoord zal worden. Bij de dan nog resterende interessante gebieden om aan te wijzen als archeologisch attentiegebied, stel ik mij voor dat de provincie ook nog kijkt in welke mate de geldende bestemmingsplannen in die gebieden voldoende bescherming bieden aan het archeologisch belang. Wat mij voor ogen staat is dus een dynamisch instrument waarmee provincies, al naar gelang de bodemdruk in een bepaald gebied, er voor kunnen zorgen, dat uiteindelijk de bestemmingsplannen in die waardevolle gebieden voldoende zekerheid bieden dat op een verantwoorde wijze wordt omgesprongen met de archeologische waarden in de bodem.
De wijze waarop een gemeente een bestemmingsplan op basis van een aangewezen archeologisch attentiegebied ‘archeovriendelijk’ kan maken gebeurt dan volgens het hiervoor beschreven tweede regime; er wordt immers een nieuw bestemmingsplan gemaakt.”