De schadevergoeding ex. artikel 42 is tijdens de behandeling van het wetsvoorstel op de archeologische monumentenzorg aan de orde gekomen.
In de artikelsgewijze toelichting bij de memorie van toelichting staat hierover o.a. :
"Met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer is het verplichtende bestuursorgaan in bijzondere situaties gehouden een vergoeding toe te kennen. Daarbij ware vooral te denken aan de excessieve kosten als gevolg van opgravingen. Of dergelijke kosten als excessief moeten worden gekwalificeerd, is sterk afhankelijk van het (financiële) belang van de aanvrager, diens draagkracht, de mogelijkheden om naar een andere locatie om te zien en dergelijke meer."
Ook de nota naar aanleiding van het verslag biedt meer informatie over dit punt: "De leden van de VVD-fractie informeren nog naar de mogelijkheden van maximering van archeologische kosten. De overheid die de archeologische verplichtingen oplegt (veelal gemeenten), dient de redelijkheid van die verplichtingen in acht te nemen. Overheden kunnen kiezen voor een casuïstische benadering (maatwerk) dan wel besluiten tot een andersoortige begrenzing van de kosten (bijvoorbeeld maximering). Het staat overheden vrij terzake beleid te voeren. Ik vind het een goede zaak dat de Monumentenwet 1988 die ruimte biedt. Dat de redelijkheid in acht genomen moet worden is vanzelfsprekend wel als wettelijk uitgangspunt vastgelegd (het nieuwe artikel 42)."
Kortom: In hoeverre schade al dan niet ten laste moet blijven van de aanvrager is zoals uit het bovengenoemde blijkt afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gemeenten kunnen zelf beleid maken over de schadevergoedingen ex. artikel 42 Monumentenwet 1988. Daarbij is het verstandig om rekening te houden met de vereisten omschreven in het Besluit archeologische monumentenzorg.
