Naar de navigatie

Van Goghs Atelierpraktijk

Van Goghs Atelierpraktijk  

Begin juli organiseerde het Van Gogh Museum een ‘expertmeeting’ over de dagelijkse gang van zaken in het atelier van Vincent van Gogh (1853-1890).Hij had er vele: in Nederland, België en Frankrijk. Van over de hele wereld kwamen specialisten bijeen om twee dagen te discussiëren over specifieke Van Goghzaken: welke kleuren zaten er op zijn palet, wat was de samenstelling van zijn gekleurde krijt, welke kunstenaars kopieerde Van Gogh en hoe deed hij dat, wat leveren scans en röntgenfoto’s van zijn werk op, hoe zagen zijn schetsboekjes eruit, schilderde hij liever op doek of papier en waarom, en waarom verkleurde zijn inkt? In het Van Gogh Atelierpraktijk Project dat onder het programma Object in Context valt, werken de Rijksdienst, Shell en het Van Gogh Museum samen om een antwoord te vinden op deze vragen. Deze samenwerking zal in 2013 leiden tot een tentoonstelling in het Van Gogh Museum.

Vincent van Gogh, De watermolen bij Gennep (1884), o/d, 60 x 78,5 cm, inv.nr. AB 9414 (bruikleen aan Noordbrabants Museum Den Bosch)

Vincent van Gogh, De watermolen bij Gennep (1884), o/d, 60 x 78,5 cm, inv.nr. AB 9414 (bruikleen aan Noordbrabants Museum Den Bosch)

Projectleider Muriel Geldof (chemicus) bestudeert welke verfsoorten Van Gogh gebruikte. Zo ontdekte ze in de minuscule verfmonsters die uit zijn schilderijen zijn genomen, dat hij in al in Nederland, dus veel eerder dan gedacht, kobaltblauw toepaste. Uit zijn brieven was wel bekend dat hij ‘cobalt’ gebruikte, maar nu was het bewijs met de microscoop geleverd. Onder leiding van papierrestaurator Birgit Reissland vond een groep onderzoekers (Maarten van Bommel, Suzan de Groot, Henk van Keulen, Han Neevel en Art Ness Proano Gaibor) de oorzaak van de verkleuring van de paarse inkt waarmee hij zijn brieven schreef en zijn schetsen tekende. Door de samenstelling van de inkt te analyseren kon tot op de molecuul het degradatieproces in beeld worden gebracht. Er bleken drie afbraakprocessen in het spel te zijn waardoor de eens magenta paarse letters en voorstellingen nu bruin/zwart zijn: verbleken en verbruinen van de inkt en verdonkeren van het papier. Luc Megens (chemicus) kon met röntgenfluorescentie (XRF), een niet destructieve techniek om pigmenten te identificeren, de verschillende voorstellingen op elkaar identificeren. In plaats van één Van Gogh kunnen er twee worden bestudeerd!

Ook anderen onderzoeken de schilderijen en tekeningen van de schilder. Zo bestuderen twee Amerikaanse ingenieurs zijn doeken: het Thread Count Automation Project. Met röntgenfoto’s onderzoeken ze de draden van het canvas, brengen dat onder in een database en kunnen dan onder andere bepalen welke doeken naast elkaar uit één rol zijn geknipt, op welke plaats ze in de rol zaten of ooit een geheel zijn geweest. Een van de vier schilderijen die de Rijksdienst van Van Gogh bezit, De Watermolen te Gennep (1884), zal binnenkort bestudeerd worden voor dit doel. Het werk is in 1989 aan het rijk gelegateerd. Het is geschilderd in Van Goghs Nuenense periode (1883-1885), de laatste periode voor zijn vertrek naar Antwerpen en Parijs. Het meest bekende werk uit deze tijd is De Aardappeleters. Van Gogh was deze watermolen - hij schilderde er meer - tegengekomen op een van zijn zwerftochten door het boerenland, iets wat hij graag deed. Het werk was tot begin van dit jaar uitgeleend aan het Noordbrabants Museum in den Bosch, maar omdat men daar tijdelijk de deuren sloot voor een verbouwing, kon het schilderij naar het Van Gogh Museum worden overgebracht. Onderzoek, collectiemobiliteit en zichtbaarheid, alles in één.

Fransje Kuyvenhoven, juli 2011