Pierre Alexandre Regnault (1868-1954) was een verffabrikant die in de jaren dertig een belangrijke verzameling vroeg twintigste eeuwse kunst opbouwde. Zijn interesse in schilderijen staat direct in verband met zijn zakelijke activiteiten.
Doordat Regnault handelde in schildersbenodigdheden en verftubes zocht hij, om zijn afzetgebied te vergroten, contact met kunstschilders. Zij konden hem immers vertellen hoe het was om met het materiaal te werken. Hij ontmoette twee kunstenaars, Bernard de Hoog (1866-1943) en Johan Scherrewitz (1868-1951). Zij waren lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging ‘Arti en Amicitiae’. Regnault kocht direct twee werken van hen. Via ‘Arti en Amicitiae’ bezocht Regnault steeds vaker tentoonstellingen en bouwde hij contacten op met andere kunstenaars. Regnault kocht voornamelijk werken van een jonge generatie Haagse, Amsterdamse en Gooise schilders, die zich vooral richtten op het herhalen van de stijl en voorstellingen van de Haagse en Larense school. Van bekendere kunstenaars, zoals Hendrik Willem Mesdag (1831-1915), kocht Regnault slechts een enkele aquarel.
Vanaf 1911 kwam hier verandering in. Regnault ging zich steeds meer richten op moderne kunst. In het Stedelijk Museum maakte hij kennis met het niet-impressionistische werk van de schilder Herman Gouwe (1875-1965). Regnault zou de rest van zijn leven contact houden met Herman Gouwe en hem stimuleren door werk van hem te kopen. Door deze vriendschap werd wel het contact tussen Regnault en de conservatieve Johan Scherrewitz verbroken. Langzamerhand leerde Regnault de moderne kunst kennen. Hierdoor ontstond zijn voorkeur voor sterke expressie in kleur en compositie. Conservator Cornelis Baard van het Stedelijk Museum was op zoek naar verzamelaars die hun collectie in bruikleen wilden afstaan, omdat hij geen financiële middelen had om aankopen te doen voor het museum. Regnault gaf, in navolging van verzamelaar Johannes Esser (1877-1946), in 1914 een deel van zijn collectie in bruikleen aan het Stedelijk Museum Amsterdam, waardoor hij de status van erkend verzamelaar kreeg. Hierna zouden ook andere verzamelaars, als Kees Boendermaker (1904-1979), delen van hun collectie in bruikleen aan het Stedelijk museum geven.
Vanaf 1925 begint Regnault te streven naar een meer internationale collectie, waarvoor hij kunst gaat kijken in Brussel en Parijs. Hij trof een nogal overspannen kunstmarkt aan. Na de beurskrach van New York in 1929 veranderde de kunsthandel. Veel jonge kunsthandels moesten hun deuren sluiten. Regnault had echter geen last van de financiële teruggang. Zijn verffabrieken groeiden juist. Vanaf dit moment ging Regnault veilingen af om koopjes op de kop te tikken. Gedreven door zijn zin zo goedkoop mogelijk uit te zijn, liet hij werken van grote namen, die ook niet duur waren, aan zich voorbij gaan. Een uitzondering hierop zijn drie werken van Marc Chagall (1887-1985), ‘De violist’, ‘Zelfportret met zeven vingers’ en ‘Zwangerschap’, die uiteindelijk belangrijke topstukken zouden worden in de collectie van het Stedelijk Museum. Regnault hield een maximaal bedrag van een paar honderd gulden per werk aan en gaf zelden meer dan duizend gulden uit.
In 1937 begon de kunsthandel weer te herstellen. Toen Regnault dit merkte, besefte hij dat hij van een aantal belangrijke kunstenaars door zijn koopjeszucht geen goede of geen werken in zijn collectie had. Op dat moment begon hij aan een inhaalslag. Hij kocht direct twee werken van Pablo Picasso (1881-1973), ‘Stilleven met gitaar’ en ‘Interieur’. Ook werken van Amedeo Modigliani (1884-1920), Chaïm Soutine (1893/1894-1943) en Georges Braque (1882-1963) werden aangekocht. Met de aanvang van de tweede wereldoorlog kwamen de verzamelaarsactiviteiten van Regnault tot stilstand. Zijn werken, geleend aan het Stedelijk Museum, werden opgeslagen in een bunker. Regnault begon voor het eerst delen van zijn collectie, waar hij op uitgekeken was, te verkopen. Hij opende zijn eigen museum in Laren waar zijn moderne kunst te zien was, terwijl alle andere musea in die tijd hun werken hadden opgeslagen.
Door ouderdom en het tijdelijk stilleggen van zijn fabrieken in Nederlands-Indië tussen 1942 en 1945 had Regnault minder mogelijkheden om naar het buitenland (Parijs) te reizen en op de hoogte te blijven van de kunsthandel. Regnault verkocht steeds meer van zijn kunstcollectie. Na 1945 gingen steeds meer musea interesse tonen in de collectie Regnault, waarbij de collectie in diverse musea in o.a. Delft, Antwerpen, Rotterdam, Heerlen en Groningen tentoongesteld is en wat uiteindelijk leidde tot de tentoonstelling “Moderne Meesters” in Eindhoven. Regnault begon mogelijkheden te zoeken om zijn collectie ook na zijn dood voor de gemeenschap te behouden. Een volledige schenking was echter niet mogelijk, omdat dan al zijn zeven kinderen hiervoor toestemming zouden moeten geven en hij verwachtte dat dit niet zou gebeuren. In 1953 schonk Regnault 35 schilderijen en twee beelden aan het rijk onder de voorwaarde dat de werken gedurende 30 jaar permanent tentoongesteld zouden worden in het Stedelijk Museum.
In 1954 overleed Regnault. Toen de familie in 1958 besloot de rest van de collectie te veilen, hebben de gemeente Amsterdam, het Ministerie van OKW en het Stedelijk Museum middelen bij elkaar gezocht om een aantal werken nog voor ze geveild zouden worden, aan te kopen. Hieronder waren acht werken van Marc Chagall, stukken van James Ensor (1860-1949) en Herman Kruyder (1881-1935), een gouache van Fernand Léger (1881-1955), een aquarel van Vasily Kandinsky (1866-1944), een ets van Pablo Picasso en een gouache van George Roualt (1871-1958). Tijdens de kijkdagen voor de veiling bleek dat de combinatie van de schenking en de aankoop een goede kern van de collectie weergaf. Onder de kopers tijdens de veiling waren een aantal Nederlandse musea, Nederlandse particulieren/verzamelaars en de familie Regnault, wat overigens niet kon weerhouden dat een groot aantal werken naar het buitenland verdween. In 1979 schonk zijn dochter Virginie Snel-Regnault het Regnault-archief aan de Rijksbureau voor Kunsthistorisch Documentatie.
Literatuur:
C.Roodenburg-Schadd, Goed Modern werk; De collectie Regnault in Het Stedelijk, Zwolle 1995.
