Naar de navigatie

De staat koopt kunst

Geschiedenis van de collectievorming van het rijk.

De Staat der Nederlanden bezit kunstwerken die zich in de voormalige rijksmusea bevinden. Ook bezit het ruim 100.000 kunstwerken die zich niet in een museum bevinden. Deze worden door de Rijksdienst voor het Cultureel Ergoed beheerd. De verwervingsgeschiedenis van deze heterogene groep kunstwerken is het onderwerp van een promotie-onderzoek door Fransje Kuyvenhoven, medewerkster van de Rijksdienst voor het Cultureel Ergoed. Aan bod komen vervaardigers, kopers, opdrachtgevers en beheerders van deze kunstwerken. Daarnaast speelt een rol in welke tijd ze zijn verworven, evenals de motieven waarmee en de manier waarop ze zijn aangekocht, de betaalde prijs en de bestemming ervan.

Inleiding

De Staat der Nederlanden bezit behalve de kunstwerken in de voormalige rijksmusea ook ongeveer 100.000 kunstwerken die zich niet in een museum bevinden. Hiertoe behoren ongeveer 23.000 twintigste-eeuwse objecten van beeldende kunst en kunstnijverheid. Deze zijn in de periode 1932-1992 verworven door de voorgangers van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Deze groep kunstwerken en hun verwervingsgeschiedenis is in de literatuur altijd onderbelicht gebleven. De oorzaak daarvan ligt in het feit dat ze nergens permanent wordt tentoongesteld maar een verborgen bestaan leidt. Een deel van deze kunstwerken is uitgeleend aan hoogwaardigheidsbekleders, Nederlandse ambassades in het buitenland of aan Nederlandse musea. De rest is opgeslagen in het depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Ergoed, dat deze collectie tegenwoordig beheert. Voordat het de Rijksdienst voor het Cultureel Ergoed (het toenmalige ICN) in 1997 de beheerder werd, richtte het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in 1949 een speciale buitendienst op: de Dienst voor ’s Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen. In 1975 veranderde deze naam in Dienst Verspreide Rijkscollecties. Deze Dienst fuseerde in 1984 met de Nederlandse Kunststichting (1955) en het Bureau Beeldende Kunst Buitenland (1974) tot de Rijksdienst Beeldende Kunst. Deze was van 1985-1997 verantwoordelijkheid voor de rijkscollectie.

Om de verwervingsgeschiedenis ter verhelderen zijn vijf trendbreuken aangebracht:

  • de Rijkscommissie van Advies (1932-1940)
  • het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (1940-1945)
  • de rijksadviescommissies (1945-1972)
  • de zogeheten Progammeringscommissie (1972-1985)
  • de Rijksdienst Beeldende Kunst (1984-1992)

Inhoud onderzoek

Centraal in het onderzoek staat de relatie tussen het beleid van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en opvolgers) en de praktische uitwerking daarvan. Men mag immers veronderstellen dat uitgerekend de rijksoverheid voor het besteden van rijksgelden een op schrift gesteld beleid voert, waarover verantwoording moet worden afgelegd.

In het onderzoek is een aantal beperkingen aangebracht. In de eerste plaats wordt alleen moderne beeldende kunst en kunstnijverheid bestudeerd, dat wil zeggen kunst die in de twintigste eeuw is vervaardigd. Ook is het onderzoek beperkt tot de actieve rol die het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en zijn opvolgers heeft gehad in het verwerven ervan. Initiatieven van andere ministeries zoals de ‘percentageregelingen’, die sinds 1951 werden toegepast bij de nieuwbouw van overheidsgebouwen, komen niet aan bod. Evenmin worden de ongeveer 4000 kunstwerken die na de Tweede Wereldoorlog door restitutie uit Duitsland in rijksbezit zijn gekomen bestudeerd. Hetzelfde geldt voor de kunstwerken die zijn verworven in het kader van de sociale regelingen zoals de Contraprestatie (1949-1956) en de Beeldende Kunstenaarsregeling (1956-1987). Zij vielen immers altijd onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken. Verwervingen waaraan geen vorm van beleid ten grondslag lag, zoals schenkingen en legaten, zijn eveneens buiten beschouwing gelaten.

Om de relatie tussen het geschreven beleid en de uitgevoerde praktijk goed in kaart te kunnen brengen, is het onderzoek verdeeld in vier perioden, afhankelijk van de belangrijkste verantwoordelijke organisatie of commissie voor de verwervingen:

  • het Interbellum (1932-1940)
  • de Tweede Wereldoorlog (1940-1945)
  • de periode van de rijksadviescommissies (1945-1984)
  • die van de Rijksdienst Beeldende Kunst (1984-1992)

terug naar top van de pagina

Interbellum

Afgezien van een eenmalige poging in 1923 werd met ingang van 1932 voor het eerst structureel geld op de rijksbegroting uitgetrokken voor het verwerven van eigentijdse kunst die niet bestemd was voor een rijksmuseum. Het budget bedroeg € 4.545,- ( ƒ 10.000,-). Dat bedrag mag klein lijken, maar tegen de achtergrond van de crisistijd en de grote weerzin die de Tweede Kamer had tegen het aanleggen van een kunstcollectie, is het een mijlpaal.

Tot en met 1992 zou jaarlijks geld uitgetrokken worden op de rijksbegroting voor hetzelfde doel. In 1992 stopte de aankooppraktijk. De Rijksdienst Beeldende Kunst was de laatste die aankopen had gedaan. Hij moest in 1992 het budget dat ondertussen was opgelopen tot € 454.500,- (ƒ 1.000.000,-) overdragen aan de kort daarvoor opgerichte Mondriaanstichting in Amsterdam. De rijksaankopen moderne kunst die niet bestemd waren voor een rijksmuseum kwamen hiermee definitief ten einde.

terug naar top van de pagina

Decoratie overheidsgebouwen

De ambtenaren deden de aankopen doorgaans niet zelf. Dat lieten ze over aan commissies, die door de minister in het leven waren geroepen. Zo begon in maart 1932 de Rijkscommissie van Advies voor Opdrachten aan Beeldende Kunstenaars. De voorzitter van deze commissie was monumentaal kunstenaar en professor aan de Amsterdamse Rijksacademie Rik Roland Holst. Het doel van het geven van opdrachten voor kunstwerken en kunstnijverheidsvoorwerpen was uitsluitend om (rijks)gebouwen ermee te decoreren, zowel het interieur als het exterieur. Incidenteel werden werken gekocht zonder van te voren vaststaande bestemming. Ook werden soms gelegenheidsaankopen gedaan bij jubilea, festiviteiten, herdenkingen etc.

Bert Nienhuis, Statiepot, 1932, 49 cm, aardewerk, glazuur, K 87-A-C, Leeuwarden Princessehof. Een van de eerste opdrachten die was bestemd voor de vergaderzaal van de minister van OKW. Op de siervaas stond de toepasselijke inscriptie ‘Wijsheid gezelle uw geest, rechtvaardigheid bewege uw hart, vroomheid vervulle uw ziel’.Bert Nienhuis, Statiepot, 1932, 49 cm, aardewerk, glazuur, K 87-A-C, Leeuwarden Princessehof. Een van de eerste opdrachten die was bestemd voor de vergaderzaal van de minister van OKW. Op de siervaas stond de toepasselijke inscriptie ‘Wijsheid gezelle uw geest, rechtvaardigheid bewege uw hart, vroomheid vervulle uw ziel’.

De minister had de commissie opdracht gegeven alleen kunst te verwerven die artistiek van hoge kwaliteit was. De sociale positie van de kunstenaar wilde de minister uitdrukkelijk buiten beschouwing laten. Daar was het ministerie van Sociale Zaken voor en het daaronder horende Voorzieningsfonds voor Kunstenaars (1935). Hij had dit voorbehoud niet voor niets gemaakt. Met de economische recessie van de late jaren twintig nog vers in het geheugen stelde hij immers geld beschikbaar in een tijd die al weer tekenen vertoonde van een volgende crisistijd. Toch werd de Rijkscommissie van Advies overspoeld met steunaanvragen.

terug naar top van de pagina

Sociale hulp kunstenaars

De opdracht van de Rijkscommissie van Advies werd in 1937 uitgebreid. Het kreeg de zeggenschap over de besteding van de gelden die de verkoop van de zomerpostzegels opleverde. Dit was bijna het viervoudige van het bedrag dat was uitgetrokken voor de opdrachten. Bij de besteding van de zomerzegelgelden was het juist wél de bedoeling dat naar sociale omstandigheden van de kunstenaar werd gekeken. Het doel van de verwervingen bleef hetzelfde: aankleding van overheidsgebouwen.

De Rijkscommissie van Advies verwierf met het begrotingsgeld een breed scala aan verschillende types werk zoals gevelbeelden, tafels, glas-in-loodramen, batikshawls en vazen. Met het zomerzegelgeld werd vooral grafiek en schilderkunst aangekocht. Deze waren niet per definitie voor een speciaal gebouw of een speciale gelegenheid bedoeld.

terug naar top van de pagina

Mobilier National

Karikatuur door Willy Sluiter (links), waarop hij Jan Karel van der Haagen (rechts) feliciteert als administrateur van het DOWC (oktober 1940).

Karikatuur door Willy Sluiter (links), waarop hij Jan Karel van der Haagen (rechts)
feliciteert als administrateur van het DOWC (oktober 1940)

Karikatuur door Willy Sluiter (links), waarop hij Jan Karel van der Haagen (rechts)feliciteert als administrateur van het DOWC (oktober 1940).

In de jaren dertig was mr. Jan Karel van der Haagen chef van de afdeling Kunsten en Wetenschappen van het ministerie van OKW. Tevens was hij secretaris van de Rijkscommissie van Advies. Hij ontwikkelde het idee van een op Franse leest geschoeid rijkskunstdepot: een Mobilier National dat in Frankrijk al sinds koning Lodewijk XIV bestond. Met de in dit depot beheerde kunstwerken konden openbare gebouwen in Nederland worden versierd en ook Nederlandse ambassades in het buitenland. De werken konden ook worden ingezet voor tentoonstellingen in Nederland en in het buitenland.

Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de opheffing van de Rijkscommissie van Advies in 1942 kwam er een einde aan Van der Haagens inbreng in de groei van het rijkskunstbezit. Hij benutte de bezettingsjaren om zijn gedachten verder uit te werken. Dit leidde in 1949 tot de oprichting van de Dienst voor ’s Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen, het Nederlandse equivalent van het Mobilier National. In de vooroorlogse jaren werden ongeveer 325 werken aangekocht.

terug naar top van de pagina

Tweede Wereldoorlog

Fiche van Abraham Fresco met ‘Jood’ uit de cartotheek van de Kultuurkamer.

Fiche van Abraham Fresco met ‘Jood’ uit de cartotheek van de Kultuurkamer.

In de Tweede Wereldoorlog werd het beeldende kunstbeleid radicaal anders vormgegeven in vergelijking met de jaren ervoor. De beeldende kunsten, kunstnijverheid, architectuur en de beeldend kunstenaars werden veel meer gesteund. De nationaal-socialisten zagen zowel het onderwijs als het culturele leven als speerpunten in hun beleid tot nazificatie van de bevolking. De kunstenaar moest verheven worden omdat hij een bijdrage kon leveren in het uitdragen van de nieuwe ideologie. De nieuwe machthebbers gaven veel geld uit aan kunstaankopen (bijna drie keer zoveel als voor de oorlog), opdrachten, beurzen, lessen, atelierinrichtingen, materiaal, tramabonnementen enzovoort. Ook organiseerden zij verkooptentoonstellingen van werk van levende kunstenaars in Nederland en in Duitsland.

In tegenstelling tot de jaren twintig en dertig had de overheid in de oorlog duidelijke criteria:

  • kunstenaars moesten zich aanmelden bij de Nederlandsche Kultuurkamer (die voor de beeldend kunstenaars vanaf mei 1942 functioneerde)
  • men mocht geen ontaarde kunst maken
  • joodse en volgens de Neurenberger rassenwetten ‘half-joodse’ en ‘kwart-joodse’ kunstenaars waren uitgesloten

Om het doel te bereiken werd enerzijds een nieuw ministerie opgericht dat zich bezighield met de (beeldende) kunsten: het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Hieronder vielen de aankopen en tentoonstellingen onder. Anderzijds kreeg het oude Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen de naam Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, waaronder de (rijks)musea vielen. Er werden ongeveer 700 aankopen gedaan.

terug naar top van de pagina

Opdrachten uit Londen

Het vele geld dat de nationaal-socialistische overheid spendeerde staat in contrast met de enkele verwervingen van de Nederlandse regering in Londen. Deze gaf vijf Nederlandse kunstenaars die tijdens de oorlog in Groot-Brittannië verbleven, opdrachten voor portretten van leden van het koningshuis en van de regering. De geest van de jaren dertig om in financieel opzicht zeer terughoudend te zijn met artistieke aangelegenheden had de regering in ballingschap meegenomen naar Engeland.

Cor Visser, Prins Bernhard neemt in Wolverhampton afscheid van de troepen (januari 1942) die naar Oost-Indië vertrekken, 1944, o/d, 69×100 cm, K 1053-A, Rijswijk ICN. Visser was ‘war artist’ aan geallieerde zijde en maakte vijftien werken tijdens zijn verblijf in Londen; acht bleven in rijksbezit, waaronder dit schilderij.

Cor Visser, Prins Bernhard neemt in Wolverhampton afscheid van de troepen (januari 1942) die naar Oost-Indië vertrekken, 1944, o/d, 69×100 cm, K 1053-A, Rijswijk ICN. Visser was ‘war artist’ aan geallieerde zijde en maakte vijftien werken tijdens zijn verblijf in Londen; acht bleven in rijksbezit, waaronder dit schilderij.

Toen de bevrijding naderde werden alle banden met deze zogeheten war-artists verbroken. Toch heeft het verblijf in Londen de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen doen inzien dat het beeldende kunstbeleid in Nederland anders vormgegeven moest worden dan in de jaren vóór de oorlog. Er werden ongeveer 10 aankopen gedaan.

terug naar top van de pagina

Cultuurspreiding

In de jaren 1945 tot 1985 viel het beeldende kunstbeleid onder drie ministeries:

  • Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1945-1965)
  • Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (1965-1982)
  • Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982-1995)

In de periode 1945-1972 zijn diverse aankoopcommissies actief. Na de Bevrijding werd in 1946 een commissie geïnstalleerd die vooral werk van erkende kunstenaars moest aankopen. Omdat met deze nadruk op representatieve kunst de jonge kunstenaar uit beeld verdween, werd in 1952 een tweede commissie geformeerd die alleen kunst van kunstenaars onder de 35 jaar ging aankopen. In 1957 werd deze opzet weer veranderd en kwamen er vijf commissies: voor schilderkunst, beeldhouwkunst, grafische kunst en tekenkunst, kunstnijverheid en in 1959 nog een commissie voor monumentale kunst. Het was de bedoeling dat de kunstwerken van het ministerie over heel Nederland te zien waren. Om die reden werd het meer en meer de bedoeling dat de commissies al nadachten over de bestemming van de aankopen. In het begin van de jaren zestig probeerde het ministerie samen met de gemeente Rotterdam een Rijksmuseum voor twintigste-eeuwse kunst op te richten. Dat lukt uiteindelijk niet en in 1965 werden de plannen stopgezet. Behalve aankopen werden er veel opdrachten gegeven, onder andere in verband met de Deltaplanwerken. Ook prenten om scholen te verfraaien dateren uit deze jaren. Er werden ongeveer 14.000 aankopen gedaan.

terug naar top van de pagina

Witte-vlekkenplan

Aan het einde van de jaren zestig, die in vele opzichten een breekpunt waren met het verleden, werden alle aankoopcommissies opgeheven. Ze waren niet voldoende maatschappelijk relevant. Het principe van zelfstandige kunstaankopen verdween. Van overheidswege werd het zogeheten witte-vlekkenplan geïntroduceerd. Kunst moest worden getoond op plaatsen waar zij anders niet te zien zou zijn zoals wachtkamers, bibliotheken, bejaardenhuizen, gemeentehuizen. De Adviescommissie voor de Programmering van Collecties van

Vincent Rijnbende, Vogels in bloemenwind, 1987, houtskool, krijt, plakkaat- en waterverf, goudverf, vernis op papier, 103,1× 305,2 cm, K 88056, Rijswijk ICN. Het aankopen van werk van jonge kunstenaars was een van de doelen van de RBK.

Vincent Rijnbende, Vogels in bloemenwind, 1987, houtskool, krijt, plakkaat- en waterverf, goudverf, vernis op papier, 103,1× 305,2 cm, K 88056, Rijswijk ICN. Het aankopen van werk van jonge kunstenaars was een van de doelen van de RBK. Van Rijnbende (1955) werden tussen 1985–1991 vier werken gekocht.

Tentoonstellingen in Nederland (met als roepnaam: de Programmeringscommissie)werd hiervoor in 1972 ingesteld. Deze commissie bedacht eerst onderwerpen waarvan tentoonstellingen konden worden gemaakt. Kunstenaars konden hiervoor dan werk inzenden die de Nederlandse Kunststichting in een expositie zou omzetten. De stichting moest niet alleen de tentoonstellingen maken, maar ook zorgen voor de roulatie ervan. De bureaucratie en de praktische problemen waarmee iedereen weldra te maken kreeg waren na enkele jaren zodanig dat verandering niet kon uitblijven. Bovendien werd het beoogde resultaat niet voldoende gerealiseerd. Er werden ongeveer 6000 aankopen gedaan.

terug naar top van de pagina

Rijksdienst Beeldende Kunst

In 1984 besloot de minister de Nederlandse Kunststichting en het Bureau Beeldende Kunst Buitenland te fuseren tot één Rijksdienst Beeldende Kunst. Deze instelling organiseerde tentoonstellingen in binnen- en buitenland, beheerde de rijkscollectie en kocht eigentijds werk aan. In 1984 bestond de totale rijkscollectie uit ongeveer 370.000 voorwerpen. Dit hoge aantal was vooral te danken aan de Beeldende Kunstenaarsregeling. Die voegde in de late jaren zeventig en tachtig ongeveer 20.000 objecten per jaar toe aan de rijkscollectie. Hierdoor was de collectie echter niet meer te hanteren. Bij de instelling van de Rijksdienst in 1985 moest de collectie in tweeën worden gesplitst: in voorwerpen van Culturele Waarde (CW’s) en in voorwerpen van Bijzonder Culturele Waarde (BCW’s). De eerste categorie zou worden verwijderd uit de rijkscollectie en de tweede groep zou worden bewaard en kreeg een museale status.

De gevel van de RBK met spandoeken van Ernie + Bidet ter gelegenheid van de eerste Rijksaankopententoonstelling in 1985. Rechts: Voorzijde van het gebouw van de RBK met de ingang voor rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart.

De gevel van de RBK met spandoeken van Ernie + Bidet ter gelegenheid van de eerste Rijksaankopententoonstelling in 1985.

De Rijksdienst Beeldende Kunst begon de wegschenkactie in 1992. Drie jaar laten was het project beëindigd en was de rijkscollectie teruggebracht tot circa 140.000 kunstwerken. De Rijksdienst had € 454.545,- (ƒ1.000.000,-) voor aankopen moderne kunst. De kunstwerken mochten niet ouder zijn dan tien jaar en moesten gekocht worden van levende Nederlandse kunstenaars. Daarnaast kocht de Rijksdienst ook hiaten uit het verleden, zoals kunst uit het Interbellum. Heel Nederland werd afgezocht door de medewerkers van de Rijksdienst, met de bedoeling te kopen, te tonen en hierover jaarlijks te publiceren. Er werden bijna 4000 werken aangekocht.

terug naar top van de pagina

Mondriaanstichting

Eind jaren tachtig was de Rijksdienst op het toppunt van zijn roem. Men kon geen beeldende kunstactiviteit bedenken of hij was erbij betrokken of werd er door het ministerie voor geraadpleegd. Daardoor zagen veel instellingen de Rijksdienst als bedreiging of als concurrent. De musea wilden het miljoen aankoopgeld verspreid zien over hun eigen instellingen. Ze kregen dat ook gerealiseerd door de lobby van een aantal museumdirecteuren.

In 1993 nam de Mondriaanstichting de aankooptaak van de Rijksdienst Beeldende Kunst over. De Rijksdienst ging na 1993 verder als adviserende instelling. Het zelf organiseren van tentoonstellingen werd stopgezet, evenals de uitvoering van de Wet tot Behoud van Cultuurbezit. De restitutie van kunst uit Duitsland werd ondergebracht bij een aparte afdeling. Die koerste al spoedig af op totale afsplitsing van de Rijksdienst, wat in 1997 ook geschiedde. De resterende taken van de Rijksdienst, het beheer van de Rijkscollectie en de adviestaak, werden overgenomen door het Instituut Collectie Nederland.

Per 1 januari 2011 is het Instituut Collectie Nederland opgegaan in de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De taken van het ICN worden nu door deze rijksdienst uitgevoerd.

terug naar top van de pagina