Naar de navigatie

Textiele vondsten: belangrijk maar zeldzaam

We vinden allerlei textiel in scheepswrakken. Sokken, broeken, ondergoed, hoofddeksels, zeildoek. Het zijn belangrijke vondsten, omdat zij iets vertellen over hoe schippers en hun families zich kleedden en van het materiaal dat zij gebruikten voor hun zeiltuig.

Textiel in de bodem is vaak aangetast door vocht en bodemzuren en is veelal ook vastgehecht aan andere voorwerpen. Dat maakt bergen en restaureren moeilijk. Bij stoffen als zijde, linnen en katoen is al snel sprake van verrotting. Die vinden we dan ook zelden in schepen die langer dan honderd jaar geleden zijn vergaan. Wol daarentegen, kan wel honderden jaren goed blijven (in klei bijvoorbeeld).

Impregneren is nodig

Restauratie van textiel is tijdrovend en specialistisch werk. Na opgraving weken we het textiel in lauw leidingwater om vuil en grond los te maken. Daarna wassen en drogen we het heel voorzichtig. Na lang verblijf in de bodem is het natuurlijke vet, dat wol normaal gesproken soepel houdt, (lanoline) verdwenen. Daarom impregneren we de wol met lanoline opgelost in wasbenzine. Doen we dat niet, dan pluist de wol en breken de wolvezels af.

Textiel steviger maken

Na het schoonmaken naaien we losgeraakte stukken textiel met de hand voorzichtig weer aan elkaar. Soms brengen we steunende voering aan om kledingstukken steviger te maken. Hierdoor kunnen we kledingstukken dan zelfs een tijd op een modelpop laten zien. Het meeste textiel bergen we – vlakliggend – op in op maat gemaakte dozen van zuurvrij karton.