International Fieldschool foor Maritime Archaelology Flevoland (IFMAF) van start
Door Jaap Morel
Van 11 tot 23 augustus 2008 vond in Emmeloord een verkennende opgraving plaats van een scheepswrak uit de veertiende eeuw. Het was de start van de International Fieldschool for Maritime Archaeology (IFMAF). Het onderzoek werd geleid door Prof.dr. A.F.L. van Holk die per 1 juni is aangesteld als bijzonder hoogleraar scheepsarcheologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Deze bijzondere leerstoel is mogelijk gemaakt door een samenwerkingsverband tussen de Rijksuniversiteit Groningen, de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, Nieuw Land, de gemeente Lelystad en de provincie Flevoland. De provincie draagt 200.000 euro over vier jaar bij en de gemeente Lelystad heeft een eenmalige startinvestering van 15.000 euro beschikbaar gesteld.
Scheepsarcheologisch onderzoek op het droge
In Flevoland zijn sinds de droogmaking en ontginning ruim 400 scheepswrakken gevonden. Het is het grootste drooggelegde scheepskerkhof ter wereld. Dit aanbod biedt een unieke mogelijkheid om scheepsarcheologisch onderzoek ‘op het droge’ te doen. De Rijksuniversiteit Groningen zag hierin een goed aanknopingspunt om haar research masteropleiding Art History and Archaeology met een afstudeerrichting Maritieme Archeologie te verbreden. De Rijksdienst werkt hier aan mee, omdat RACM Lelystad beschikt over grote expertise en uitstekende faciliteiten op het gebied van het opgraven, onderzoeken en conserveren van scheepswrakken. RACM Lelystad beheert bovendien het Nationaal Scheepsarcheologisch Depot. De IFMAF moet een internationale uitstraling krijgen en ook buitenlandse studenten aantrekken.
Aan de verkennende opgraving in Emmeloord werkten studenten uit Leiden en Groningen mee en drie leden van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling Groningen. Voor hen was het een unieke ervaring. Niet vaak doet zich de gelegenheid voor om mee te werken aan een dergelijke opgraving. Bovendien betrof het een bijzonder schip…
Het ‘Moddermanschip’
Het was tijdens de Tweede Wereldoorlog dat voor de allereerste keer een scheepswrak in de Noordoostpolder werd opgegraven en gedocumenteerd. Pieter Jan Modderman, als archeoloog verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, kreeg van de regering in ballingschap opdracht het wrak op te graven. Hij trof een scheepje uit de middeleeuwen aan. Midscheeps bevond zich een lading grote bakstenen en in het achterschip werden enkele gebruiksvoorwerpen gevonden, zoals een ijzeren bijl, een ijzeren vuurtang, een steengoed kruik, twee bronzen Spaanse potten, een roodkoperen pan en een fragment van het bovenleer van een schoen. Omdat het oorlog was, ontbraken de materialen om het schip te kunnen conserveren. Daarom is het wrak zo goed mogelijk verstevigd en naast de vindplaats herbegraven, onder de grondwaterspiegel. Dit is een nog steeds gebruikte methode, omdat het scheepshout dan door water omgeven is en minder snel vergaat. Helaas werd destijds net niet precies genoeg opgetekend waar het werd herbegraven. Na enkele mislukte pogingen, is het wrak echter in 2006 weer gelokaliseerd.
Het zogenaamde ‘Moddermanschip’ is waarschijnlijk een kogge, een type vrachtschip uit de late Middeleeuwen. De 13e en 14e eeuw zijn voor de scheepvaart van Noordwest Europa van groot belang geweest. De bevolking groeide, oude steden breidden zich uit en nieuwe steden werden gesticht. In deze periode vond een schaalvergroting plaats van handel over grote afstand. Koggen waren zeewaardig en konden over grote afstand veel lading vervoeren. In Flevoland is een aantal scheepswrakken opgegraven die als koggen kunnen worden beschouwd, zoals bijvoorbeeld de kogge uit Zuidelijk Flevoland, die als voorbeeld heeft gediend voor de opnieuw gebouwde Kamper kogge.
Herverkenning na 60 jaar
Nu is het vaartuig dus voor de tweede keer onderzocht. Het lag zo’n twee meter onder het maaiveld. Er werden drie sleuven over het schip gegraven, zodat het voor-, het midden- en het achterschip opnieuw konden worden onderzocht, met moderne methoden en technieken. De weersomstandigheden waren bijzonder nat, zodat er als echte moddermannen in de opgravingsput werd gewerkt. Behalve het geraamte van het schip werden resten van de vracht aangetroffen: middeleeuwse bakstenen, de zogenaamde kloostermoppen. Ook vond men breeuwmateriaal: de naden tussen de planken waren met mos dicht gestopt. RACM veldtechnicus Gert Schreurs heeft enkele plakken hout uit het wrak gezaagd. Aan de hand van de jaarringen van het scheepshout zal door middel van dendrochronologisch onderzoek worden vastgesteld uit welk jaartal het schip afkomstig is. Studenten hebben onder leiding van RACM modelbouwer Frank Dallmeijer het schip nauwkeurig opgemeten en getekend met behulp van een digitale meetarm. Verder is het scheepswrak beschreven en zijn er foto’s gemaakt.
Omdat de resten van dit schip indertijd goed waren ingepakt, was het hout in een zodanige conditie dat de kogge onder de grond bewaard kan worden.
Zaterdag 23 augustus werd de opgraving afgesloten met een open dag voor publiek, waarna het wrak weer met grond is toegedekt.
Unieke Romeinse punter gevonden
door Lies Resink
Begin maart is in de Utrechtse wijk De Meern een bijzondere vondst gedaan: de resten van een punter-achtig scheepje uit de Romeinse tijd. Een voor die tijd onbekend type schip. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking tussen de gemeente Utrecht en de Rijksdienst.
De Meern is een van de belangrijkste regio’s in Noordwest-Europa wat scheepsvondsten uit de Romeinse tijd betreft. Tot voor kort waren daar vijf scheepswrakken gevonden, waaronder twee grote rivierpramen, De Meern 1 en De Meern 4 genoemd, en fragmenten van twee boomstamkano’s, De Meern 2 en De Meern 3. De Meern 5 is enkele decennia geleden aangetroffen, maar ondanks een hernieuwde speurtocht nog niet teruggevonden. De meest recente vondst heeft als naam daarom De Meern 6 gekregen. Het ligt in de bedoeling het scheepje in de toekomst tentoon te stellen.
Het wrak lag onder de grond, in de bovenkant van rivierafzettingen van een Rijnbedding uit de Romeinse tijd. Op grond van de bodemopbouw kon Erik Graafstal, stadsarcheoloog van Utrecht, bepalen dat het wrak rond de derde eeuw na Christus gezonken moet zijn.
Aanvankelijk werd gedacht dat het weer een Romeinse rivierpraam zou zijn. Er bleek echter sprake te zijn van één van de belangrijkste scheepsarcheologische vondsten ooit. Hoewel tijdens het verkennende onderzoek slechts delen van twee planken en een spantje zijn aangetroffen, was het mogelijk te bepalen dat het een voor de Romeinse tijd onbekend type schip betrof, met kenmerken van een punter-achtig vaartuigje. In overleg tussen de stadsarcheoloog en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten is daarom besloten de vrijgelegde delen digitaal te documenteren, in afwachting van een definitief onderzoek. Van het scheepje zijn slechts de uiteinden gezien. Tijdens het verkennende onderzoek is het middendeel niet vrijgelegd. Het wrak is inmiddels geborgen op 26 juni en overgebracht naar RACM Lelystad, maar moet nog nader bestudeerd worden. Uit het eerste onderzoek van begin maart konden echter al de volgende conclusies getrokken worden.
Typisch Romeins
Dat het hier een punter-achtig scheepje betreft, kon onder andere worden afgeleid uit het goed bewaard gebleven uiteinde van een bodemplank, die lancetvormig uitliep en een driehoekige inkeping bevatte voor de plaatsing van een stevenbalk. Door het ontbreken van het andere uiteinde van de plank valt de oorspronkelijke lengte nog niet te herleiden. Het scheepje is echter waarschijnlijk zo’n negen meter lang geweest. Een vergelijking van kenmerken als de vorm van de boordplank, spijkerresten en pengaten, met kenmerken van andere archeologische vondsten, lijkt de aanname te bevestigen dat het hier voor het eerst een Romeins puntertje betreft. Punters zijn kleine, open platbodems. Alle punter-achtigen hebben een plat vlak zonder kiel met lancetvormige uiteinden, en boorden met een valling van 120 tot 125 graden, bestaande uit een of twee planken.
Wat De Meern 6 met name onderscheidt van andere vroege punter-achtigen, is het gebruik van spijkers voor de verbinding tussen spanten en huidplanken: een typisch Romeins kenmerk. Ook bij de grote rivierpramen De Meern 1 en De Meern 4 was dit het geval. En zelfs ook bij een opgeboeide, dus van een extra boordplank voorziene, Romeinse boomstamkano die in de jaren zeventig bij Zwammerdam is gevonden.
Italiaans ontwerp
Het lijkt er nu dus op dat de punter niet in de 12e/13e eeuw lokaal ontstaan is, maar een ‘Italiaans ontwerp’ heeft, dat al in de Romeinse tijd vrijwel volledig ontwikkeld lijkt. De Romeinse maatvoering loopt waarschijnlijk zelfs tot in de late middeleeuwen door.
De datering van De Meern 6, mogelijk derde-eeuws, doet tevens de vraag rijzen of dit schip een opvolger is van de veelvuldig bij Romeinse rivierpramen aangetroffen boomstamkano’s, alle uit de tweede eeuw na Christus. De vervaardiging van een boomstamkano levert veel houtverlies op. Uit een boomstam waaruit één kano gemaakt wordt, zijn wel drie punter-achtige vaartuigen te bouwen.
Zwammerdam project vordert gestaag
Door Lies Resink
Zes Romeinse scheepswrakken
Zes schepen zijn in de jaren 70 bij het Zwammerdamse castellum Nigrum Pullum opgegraven. In december 1971 stuit men op een boomstamkano: de Zwammerdam 1. Amper een maand later worden vrijwel tegelijkertijd de Zwammerdam nummers 2 en 3 ontdekt, korte tijd later gevolgd door nummer 4. Met behulp van ingezameld geld kan deze laatste worden opgegraven. Pas in mei 1974 worden het vijfde- en het zesde vaartuig uit de grond gehaald.
De scheepswrakken stammen uit de tweede tot vierde eeuw na Christus. Opvallend is dat de schepen nog zo compleet zijn. Bijzonder is ook dat ze dicht bij elkaar werden aangetroffen. Mogelijk werden de schepen –na te zijn afgedankt- gebruikt om de kade te verlengen en hebben de Romeinen ze daarom zelf laten zinken.
Het scheepshout is geconserveerd en vervolgens bewaard. Twee kano’s staan opgesteld in het Nationaal Scheepsarcheologisch Depot in Lelystad. Omdat begin dit jaar het NWO project ‘Arts and crafts in Roman shipbuilding: raw material management, construction technology, use and disposal of barges in the Lower Rhine region in the Roman period‘ van start ging, wordt het hout van de andere schepen nu uit de opslag gehaald.
Het deelonderzoek Zwammerdam schepen binnen het NWO project bekijkt deze bekende scheepsvondsten opnieuw en gaat met behulp van dendrochronologie op zoek naar de herkomst van het scheepshout. Ook kunnen overeenkomsten in bouw en bouwvolgorde met deze methode worden opgespoord. Vergeleken met de jaren ‘70 beschikken scheepsarcheologen over meer kennis en nieuwe technieken. Het is nu mogelijk om meer gegevens rondom de Zwammerdamschepen te achterhalen.
Legpuzzel
In het gebouw van RACM Lelystad zijn op de vloer met tape de contouren van de 22 meter lange Zwammerdam 2 aangegeven. Als een grote legpuzzel worden binnen de randen de stukken scheepshout neergelegd. Er ontbreken stukken. De Zwammerdam 2 is het minst complete van de serie. Het is eerste schip waar aan worden gewerkt. Later zullen ook de ruim 20 meter lange Zwammerdam 6 en de vierendertig meter lange Zwammerdam 4 aan bod komen.
|