Scheepsarcheologisch Nieuws
Nummer 9 / juni 2010
|
|
Inhoud
|
Wie maakt de foto die het beste een scheepsramp verbeeldt? De Afdeling Scheepsarcheologie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Lelystad heeft een fotowedstrijd uitgeschreven, met als onderwerp: scheepsrampen. Jong én oud worden uitgedaagd om met vakmanschap en fantasie het drama van de ondergang van een schip uit te beelden. Met de ingezonden foto’s zal een expositie worden ingericht die tijdens de Week van de Geschiedenis wordt geopend. De drie prijswinnaars krijgen een geheel verzorgd dagje in Batavia, aan de Lelystadse kust aangeboden. De inzendtermijn sluit op zondag 15 augustus. Maritieme vondsten Scheeps- en onderwaterarcheologie spreekt tot de verbeelding. Aan elke scheepsarcheologische vondst is immers een drama vooraf gegaan. Vaak is een schip, waarvan soms eeuwen later het wrak wordt teruggevonden, met man en muis vergaan. De tienduizenden maritieme vondsten die bij de Afdeling Scheepsarcheologie in het depot worden bewaard, getuigen daarvan. Land en water De landelijke Week van de Geschiedenis vindt dit jaar plaats van 16 t/m 24 oktober. Het thema ‘land en water’ sluit naadloos aan bij scheepsarcheologie. Scheepswrakken worden aangetroffen onder water, maar ook op het land. Flevoland bijvoorbeeld is het grootste scheepswrakkenkerkhof ter wereld. Ook elders in ons land is een schat aan scheepsarcheologisch materiaal boven water gehaald. Jury Een deskundige jury bestaande uit specialisten op het gebied van fotografie en/of scheepsarcheologie zal de ingezonden foto’s beoordelen. Daarbij zal worden gelet op zeggingskracht, originaliteit en kwaliteit. Het wedstrijdreglement is te vinden op www.batavia.nl en www.cultureelerfgoed.nl/fotowedstrijd. Hier zijn tevens tips te vinden over plaatsen waar scheepswrakken, oude schepen of replica’s te fotograferen zijn.
Voor meer informatie:
Lies Resink,
medewerker communicatie afdeling Scheepsarcheologie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed,
0320-269700,
l.resink@cultureelerfgoed.nl.
Terug naar boven
|
|
|
Sinds kort staat op het buitenterrein van de afdeling Scheepsarcheologie in Lelystad een enorme tent. Deze is in Canada op maat gemaakt en aangeschaft voor twee projecten: (1) het Zwammerdamproject en (2) de samenvoeging van de twee delen van het Romeinse schip De Meern 1. De Zwammerdamschepen: In het kader van een vier jaar durend project worden de bekende Zwammerdam scheepsvondsten opnieuw onderzocht. In de jaren ’70 werden bij Zwammerdam resten van zes Romeinse schepen aangetroffen: drie riviervrachtschepen (platbodems met een lengte van ruim 20 meter; één is zelfs 34 meter lang), drie boomstamkano’s, waarvan één als viskaar (vaartuig waarmee vis wordt getransporteerd én vers wordt gehouden) was gebruikt en een bijna 5,5 meter lang typisch Romeins roer. Geprobeerd wordt de herkomst van het hout te achterhalen en meer te weten te komen over de scheepsconstuctie. Daarnaast vindt onderzoek plaats naar de houthandel en scheepvaart in de Romeinse tijd in ons land en wordt gewerkt aan een algemene analyse van Romeinse platbodems. Door de afmetingen van de platbodems vergt het onderzoek veel ruimte. De nieuwe werktent biedt die ruimte volop. Niet alleen kunnen de schepen er in volle lengte worden uitgestald, ook een ander Romeins schip van het type Zwammerdam (De Meern 1) zal er tot één geheel kunnen worden samengevoegd. Twee van de Zwammerdamkano’s zijn opgesteld in het Nationaal Scheeparcheologisch Depot. Momenteel wordt hard gewerkt om al het Zwammerdamhout een plek in de tent te geven. De Meern 1: In 2003 werd in een dichtgeslibde tak van de Oude Rijn bij Vleuten-De Meern een bijna 25 meter lang schip uit de Romeinse tijd opgegraven. Deze Romeinse platbodem (van het type Zwammerdam) bevindt zich in twee delen bij afdeling Scheepsarcheologie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Lelystad. Eén deel wordt op de sproeivloer voortdurend nat gehouden, het tweede deel bevindt zich in een enorme, speciaal geconstrueerde conservingsbak. In de loop van 2010 zal de helft die nog geconserveerd moet worden, de plaats van zijn andere helft in de conserveringsbak innemen. De werktent biedt dan ruimte om aan het eerste, geconserveerde deel verder te werken.
Terug naar boven
|
|
|
Uit de keuken van de afdeling conservering/restauratie van RCE Scheepsarcheologie: In 1999 werd gedoken op de BZN15: een wrak in de Waddenzee. Daarbij werd lading, te weten 80 rolletjes bladmessing, boven water gehaald. Dergelijke rolletjes latoenkoper (bladkoper) worden vaker tijdens verkenningen op scheepswrakken aangetroffen. De Rijksdienst bewaart er een flinke hoeveelheid van. Het loonde daarom de moeite om met behulp van de oven aan de slag te gaan. Door het eeuwenlange verblijf in de zeebodem is de kristalstructuur van het materiaal erg hard geworden. Daardoor valt er met het opgerolde koper niets te beginnen. Zou je proberen het uit te rollen, dan breekt het. Nadat de rolletjes bij een temperatuur van 550 graden Celcius waren uitgegloeid, was alle oxyde er uit verdwenen en de structuur van het koper weer zacht geworden. Een rolletje met een diameter van ongeveer 6 cm., kan nu worden uitgerold tot een lap koper met een lengte van 3.80 meter.
Terug naar boven
|
|
|
Ter afsluiting van de bachelor opleiding Archeologie aan de Rijksuniversiteit Groningen is door Koen Blok een gedeelte van de constructie van het 'Biddinghuizer Colfschip' onderzocht. Dit wrak is in 1992 opgegraven op kavel OM 11 vlakbij Biddinghuizen, provincie Flevoland. Het gaat om een overnaads gebouwd vrachtscheepje uit de 16e eeuw. Het onderzoek heeft zich vooral gericht op het reconstrueren van de rompvorm van het scheepswrak, in schaal 1:10, door middel van het maken van een lengte- en meerdere dwarsdoorsneden. Uitgangspunt voor de reconstructie waren foto's, veldtekeningen en tekeningen waarop de onderdelen van het wrak apart zijn weergeven. Het oorspronkelijke hout is na de opgraving in het velddepot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed herbegraven. Tot slot is een kartonnen studiemodel van de stuurboordzijde van de romp gemaakt, zodat een helder beeld van de scheepsvorm ontstaat.
OM 11 Het wrak dat werd gevonden op kavel OM 11 staat vanwege de bijzondere lading van 16 'colfstokken', voorlopers van de moderne colfclubs, bekend als het 'Biddinghuizer Colfschip'. Naast deze ongebruikelijke lading werden ook delen van haringtonnen en resten van graan in het wrak gevonden. Tot slot behoorden waarschijnlijk ook zes loodbaren tot de lading. Wat dit wrak verder nog bijzonder maakt is het feit dat er in de constructie verschilllende elementen zichtbaar zijn, die traditioneel gezien in verschillende regio's van Europa geplaatst worden. Zo is er bij het verbinden van de huidgangen van het vlak (bodem van het schip) gebruik gemaakt van een combinatie van klinknagels (Scandinavische traditie) en houten pennetjes (Slavische/Baltische traditie). In zes andere overnaads gebouwde schepen die in Flevoland gevonden zijn, komen ook combinaties van bouwtechnieken uit verschillende delen van Europa voor. Samen met de OM 11 zijn zij het onderwerp van een promotieonderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd. Uit foto’s die tijdens de opgraving zijn gemaakt en uit het opgravingsverslag blijkt dat het wrak vrij compleet bewaard gebleven is. Beide zijden zijn op de kim (overgang van de bodem naar de zijkanten) afgebroken, maar zijn vrijwel tot de bovenzijde aanwezig. Ook de complete achtersteven en de grotendeels complete voorsteven werden bij de opgraving teruggevonden. De compleetheid van het wrak zou een goede reconstructie mogelijk moeten maken. Uit dendrochronologisch onderzoek is gebleken dat het hout uit Nederland afkomstig was.
Reconstructie Zoals eerder al vermeld bestaat het bronnenmateriaal voornamelijk uit tekeningen van de onderdelen van het wrak. Tijdens de opgraving in 1992 is het complete wrak uit elkaar gehaald en zijn alle onderdelen schaal 1:10 getekend. Van elk onderdeel zijn in de meeste gevallen alle aanzichten- en vaak ook een doorsnede getekend. Op deze tekeningen zijn ook alle pen- en spijkergaten aangeven waarmee de onderdelen oorspronkelijk aan elkaar zaten. Door de juiste gaten in de verschillende onderdelen aan elkaar te passen is het – theoretisch – mogelijk om het schip weer in elkaar te ‘puzzelen’. Omdat het scheepshout na het vergaan van het schip vervormd geraakt kan zijn, klinkt dit iets makkelijker dan het in werkelijkheid het geval is. Omdat de tijd voor het onderzoek beperkt was, was het niet mogelijk om een volledige reconstructie te maken. Bij het maken van de reconstructie is begonnen met het samenstellen van de langsdoorsnede over de kiel en stevens. Omdat de voor-, achtersteven en kiel vrij compleet teruggevonden waren, bleek dit goed te doen. De kielplank was vlak voor de achtersteven afgebroken, maar door de tekeningen van de kielplank, achtersteven en het achterste deel van de zandstrook met elkaar te combineren, bleek de positie van het afgebroken deel vast te stellen. Uit deze langsdoorsnede blijkt dat het schip een minimale lengte van 19,53 meter had. Het maken van de dwarsdoorsneden, in het voor-, midden- en achterschip bleek wat problematischer. Er werd voor gekozen om een ‘spant eerst’ aanpak te volgen, met het idee om wat tijd te besparen. Bij schepen die ‘spant eerst’ gebouwd werden, werd eerst een frame van spanten gemaakt, waarna de huid eraan bevestigd werd.Dit is bijvoorbeeld de manier waarop de Batavia gebouwd is. Een andere manier waarop schepen gebouw werden, waaronder het ‘Biddinghuizer Colfschip’, is de ‘huid eerst’ methode. Hierbij wordt eerst de buitenkant van het schip, de huid, gebouwd. Vervolgens worden de spanten aangebracht om het schip te verstevigen. Bij deze methode hoeven de verschillende delen van een spant niet met elkaar verbonden te zijn. Bij het maken van een reconstructie van een ‘huid eerst’ gebouwd schip zou eigenlijk dezelfde aanpak gevolgd moeten worden, in tegenstelling tot wat ik gedaan heb. Bij het maken van de dwarsdoorsneden van de OM 11 bleek de stand van de zijden ten opzichte van het vlak (de bodem van het schip), vanwege de ‘huid eerst’ methode, lastig te bepalen. Er zijn geen dekbalken teruggevonden waardoor de breedte van het schip op dekniveau niet exact vastgesteld kon worden. Van enkele spanten kon toch een dwarsdoorsnede gemaakt worden met een redelijke mate van zekerheid. Door deze als voorbeeld te gebruiken voor de overige spanten, kon toch redelijkerwijs de vorm van het schip bepaald worden. De breedte van het schip is ongeveer 4,88 meter. Omdat schepen complexe vormen zijn brengt het maken van een driedimensionaal model vaak inzichten die niet of nauwelijks uit tweedimensionale tekeningen te verkrijgen zijn. Zo ook bij de OM 11. Met behulp van de gemaakte doorsneden een kartonnen halfmodel van het schip vervaardigd. Om de vorm van het schip zichtbaar te maken werd op drie plaatsen een complete huidgang toegevoegd. Na het toevoegen van de huidgangen bleken de dwarsdoorsneden redelijk te kloppen. Alleen in het achterschip bleken twee huidgangen niet netjes op de achtersteven aan te sluiten. Conclusie Uit het halfmodel valt af te leiden dat het ‘Biddinghuizer Colfschip’ voorzien was van een bolle kop en een scherp geveegd achterschip. De rompvorm heeft, ter hoogte van het middenschip, in dwarsdoorsnede een hoekig uiterlijk. De vorm van het onderwaterschip doet sterk denken aan de vorm zoals het waterschip (type vissersschip) uit de 16e eeuw dit ook heeft. Ook in de constructie van de stevens en de afwerking van de bovenkant van de zijden zijn parallellen zichtbaar met het waterschip uit deze periode, in het bijzonder met de schepen ZN 42, ZM 22 en OW 10, die ook in Flevoland gevonden zijn. Samen met de herkomst van het hout lijkt het erop dat de OM 11 een in Nederlandse contreien gebouwd vrachtschip is, deels in een dezelfde traditie als waterschepen uit de 16e eeuw. Bovenstaande is een samenvatting van de Bachelorscriptie door Koen Blok, student Art History and Archaeology aan de Rijksuniversiteit Groningen
Foto: Het studiemodel met aan de linkerkant de achtersteven. Lengte van het model is circa 2 m. (Foto: K. Blok)
Terug naar boven
|
|
|
|
Colofon
|
|
Dit bericht kan informatie bevatten die niet voor u is bestemd. Indien u niet de geadresseerde bent of dit bericht abusievelijk aan u is toegezonden, wordt u verzocht dat aan de afzender te melden en het bericht te verwijderen.
De Staat aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard ook, die verband houdt met risico's verbonden aan het elektronisch verzenden van berichten.
This message may contain information that is not intended for you. If you are not the addressee or if this message was sent to you by mistake, you are requested to inform the sender and delete the message.
The State accepts no liability for damage of any kind resulting from the risks inherent in the electronic transmission of messages.
Ministerie van Justitie.
|
|
|